Fahrenheit 451 – Bradbury, Ray

Book Preview

DEEL EEN    De haardstede en de salamander

Het was verrukkelijk om te zien hoe dingen werden verteerd, om te zien hoe dingen werden zwartgeblakerd en veranderd. Met de koperen straalpijp in zijn vuisten, met die grote python die zijn giftige petroleum op de wereld spoot, terwijl het bloed bonsde in zijn hoofd, waren zijn handen de handen van een of andere verbijsterende dirigent die alle symfonieën van vuur en rook en vlammen vertolkte om de laatste resten van het verleden in de as te leggen. Met zijn symbolische helm die het getal 451 droeg op zijn onbewogen hoofd, en zijn ogen één oranje gloed bij de gedachte aan wat er hierna ging gebeuren, knipte hij de aansteker aan en het huis werd eensklaps een gulzig vuur dat de avondhemel drenkte in rood en geel en zwart. Hij beende met lange passen door een regen van vuurvliegen, terwijl de boeken flappend als klapwiekende duiven de dood vonden op de veranda en het grasveld voor het huis. Terwijl de boeken omhoog wervelden in zwermen van vonken en wegwoeien op een wind, zwart van houtskool en roet.

Montag vertrok zijn gelaat tot de woeste grijns van allen die door vlammen gezengd en teruggejaagd werden.

Hij wist dat wanneer hij op de brandpost was teruggekeerd, hij zichzelf toe knipogen kon in de spiegel, als een liedjeszanger die zich met een verbrande kurk het uiterlijk van een neger had gegeven. Later, als hij ging slapen, zou hij in de duisternis voelen hoe de spieren van zijn gezicht de grimmige glimlach nog vasthielden. Hij ging nooit weg, die glimlach, hij was nog nooit weggegaan, zolang hij zich herinneren kon.

Hij hing zijn torzwarte helm op en poetste hem tot hij weer glansde; hij hing zijn vuurvaste jekker netjes weg; hij douchte uitgebreid en liep dan fluitend, zijn handen in zijn zakken, de bovenste verdieping van de brandpost over en liet zich in het gat vallen. Op het laatste ogenblik, toen een ongeluk onvermijdelijk scheen, trok hij zijn handen uit zijn zakken en brak zijn val door de gouden stang vast te grijpen. Hij gleed piepend door tot hij bleef stil hangen, zijn hielen een paar centimeter van de betonnen vloer.

Hij liep de brandpost uit en de middernachtelijke straat door naar de ondergrondse waar de door lucht aangedreven trein geruisloos door zijn geoliede kanaal gleed en hem met een vlaag warme lucht afzette op de roomkleurig betegelde roltrap die naar de voorstaduitgang voerde.

Fluitend liet hij zich door de roltrap omhoog dragen, de stille avondlucht in. Hij liep naar de hoek, nauwelijks, en aan niets bepaalds denkend. Eer hij de hoek bereikte vertraagde hij zijn schreden echter, alsof iemand zijn naam geroepen had.

De laatste paar avonden was hij, naar huis lopend bij het licht van de sterren, op het trottoir hier vlak om de hoek, door een gevoel van heftige onzekerheid besprongen. Hij had het gevoel gehad dat daar, vlak voor hij de hoek omsloeg, iemand was geweest. De lucht scheen geladen met een uitzonderlijke kalmte alsof iemand daar heel rustig had staan wachten en pas enkele seconden voor hij aankwam eenvoudig in een schaduw was veranderd en hem had doorgelaten. Misschien ving zijn neus een zwakke geur op, misschien voelde de huid op de rug van zijn handen, op zijn gezicht, de temperatuur stijgen op dat ene plekje waar, als iemand er gestaan had, de onmiddellijke omgeving misschien heel even tien graden warmer zou zijn. Hij begreep het niet. Telkens als hij de hoek omsloeg, zag hij enkel het witte, ongebruikte, verzakkende trottoir, en misschien, één avond, een haastig verdwijnend iets over een grasveld, voor hij zijn ogen erop kon richten of spreken.

Maar vanavond vertraagde hij zijn pas tot hij bijna stilstond. Dat deel van zijn bewustzijn dat al voor hem uit de hoek omsloeg, had een heel zwak gesuis opgevangen. Iemands ademhaling? Of was de atmosfeer enkel samengedrukt door iemand die daar heel stilletjes stond te wachten? Hij sloeg de hoek om.

De herfstbladeren werden zo over het maan overgoten trottoir geblazen dat het leek alsof het meisje dat daar liep niet zelf haar benen bewoog maar zich door de wind en de bladeren liet meevoeren. Ze hield haar hoofd half gebogen en keek naar haar schoenen waarmee ze in de dwarrelende blaren woelde. Haar gezichtje was tenger en melkwit en er lag een soort zachte hunkering op, een altijd gulzige nieuwsgierigheid. Het was haast een blik van doffe verwondering; de donkere ogen waren zo op de wereld geconcentreerd dat niets hun ontging. Haar jurk was wit en ruiste. Het was hem haast te moede alsof hij de beweging van haar handen kon horen en nu het heel zwakke, nauwelijks waarneembare geluid waarmee ze haar witte gezichtje omdraaide toen ze ontdekte dat ze vlak bij de man was die midden op het trottoir stond te wachten.

Uit de kruinen der bomen, boven hun hoofd, daalde ritselend de droge regen neer. Het meisje bleef staan en keek alsof ze verbaasd achteruit wilde deinzen, maar bleef in plaats daarvan Montag met zo’n levendige uitdrukking in haar donkere, glanzende ogen aanstaren, dat hij het gevoel had dat hij iets heel bijzonders had gezegd. Maar hij wist dat hij zijn mond alleen had geopend om goedendag te zeggen, en toen ze als verlamd scheen door de salamander op zijn arm en het fenix-embleem op zijn borst, sprak hij opnieuw.

‘Natuurlijk,’ zei hij, ‘jij bent ons nieuwe buurmeisje, is het niet?’

‘En u moet’ – ze wendde haar ogen af van de symbolen van zijn beroep – ‘de brandman zijn.’ Haar stem stierf weg.

‘Wat zeg je dat vreemd.’

‘Ik – ik zou het met mijn ogen dicht geweten hebben,’ zei ze langzaam.

‘Wat – de petroleumlucht? Mijn vrouw klaagt er over,’ lachte hij. ‘Die krijg je nooit helemaal weg, hoe goed je je ook wast.’

‘Nee, inderdaad niet,’ zei ze, vol ontzag.

Hij voelde dat ze in een kring om hem heen liep, hem opnam aan alle kanten, hem bedaard heen en weer schudde en zijn zakken leegde, zonder zelf één beweging te maken.

‘Petroleum,’ zei hij, omdat de stilte bleef aanhouden, ‘is enkel een lekker luchtje voor mij.’

‘Werkelijk?’

‘Natuurlijk. Waarom niet.’

Ze gunde zich de tijd om erover na te denken. ‘Het kan zijn.’ Ze draaide zich om en keek naar het trottoir dat naar hun woningen leidde. ‘Vindt u het goed als ik tot huis met u meeloop? Ik ben Clarisse McClellan.’

‘Clarisse, Guy Montag. Vooruit dan. Waarom zwerf je nog zo laat hier rond? Hoe oud ben je?’

Ze liepen door de warm-koele winderige avond over het verzilverde plaveisel. Er hing een heel zwakke geur van verse abrikozen en aardbeien in de lucht en hij keek om zich heen en besefte dat dat volkomen onmogelijk was, zo laat in het jaar.

Er was alleen het meisje dat nu naast hem liep, haar gezichtje in het maanlicht even helder als sneeuw en hij wist dat ze over zijn vragen nadacht en piekerde hoe zij ze het best beantwoorden kon.

‘Nou,’ zei ze, ‘ik ben zeventien en ik ben gek. Dat gaat altijd samen, zegt mijn oom. Als mensen vragen hoe oud je bent, zegt hij, zeg dan altijd dat je zeventien en krankzinnig bent. Is dit geen prettige tijd om te wandelen? Ik vind het heerlijk om dingen te ruiken en naar dingen te kijken en soms de hele nacht op te blijven en maar te wandelen en te zien hoe de zon opgaat.’

Ze liepen opnieuw zwijgend verder en eindelijk zei ze peinzend: ‘Weet u, ik ben helemaal niet bang van u.’ Hij was verbaasd. ‘Waarom zou je dat wel zijn?’

‘Zo veel mensen zijn het. Bang van brandlieden, bedoel ik. Maar u bent tenslotte gewoon een mens…’ Hij zag zichzelf in haar ogen, zwevend in twee glinsterende druppeltjes helder water, hijzelf donker en heel klein, maar nauwkeurig, tot in bijzonderheden, de groeven om zijn mond, heel zijn gelaatsuitdrukking, alsof haar ogen twee wonderbaarlijke stukjes paarse amber waren die hem zouden kunnen vangen en inkapselen zoals hij was. Haar gezichtje, dat ze nu naar hem toegewend hield, was van broos melkkristal waar een zacht licht in bleef gloeien. Het was niet het hysterische licht van een elektrische lamp, maar wat dan wel? Het vreemd behaaglijke en zeldzame en zacht vleiende licht van een kaars. Lang geleden, toen hij nog een kind was, had zijn moeder, toen er een storing geweest was in de centrale, een laatste kaars gevonden en aangestoken en hadden ze één kort uur van herontdekking gekend, zich gebaad in een licht waarin de ruimte haar onmetelijkheid verloor en dat een warme grot van behaaglijkheid schiep, en zij beiden, moeder en zoon, alleen, zich een ander mens voelend, hadden gehoopt dat de storing niet al te snel weer verholpen zou zijn…

Dan zei Clarisse McClellan:

‘Mag ik u iets vragen? Hoe lang bent u al brandman?’

‘Sinds mijn twintigste, tien jaar nu.’

‘Leest u de boeken ooit wel eens die u verbrandt?’ Hij lachte. ‘Dat is tegen de wet!’

‘O, natuurlijk.’

‘Het is mooi werk. Verbrand ‘s maandags Millay, ‘s woensdags Whitman, vrijdags Veblen, verbrand ze tot as, verbrand daarna de as. Dat is onze officiële leuze.’

Ze liepen nog verder en het meisje zei: ‘Is het waar dat lang geleden brandlieden branden blusten in plaats van ze aan te steken?’

‘Nee. Huizen zijn altijd vuurvast geweest, geloof me.’ ‘Vreemd. Ik heb eens gehoord dat lang geleden huizen wel eens per ongeluk in brand raakten en dat ze dan brandlieden moesten laten komen om de vlammen te doven.’

Hij lachte.

Ze keek hem snel aan. ‘Waarom lacht u?’

‘Ik weet het niet.’ Hij begon weer te lachen en hield dan op. ‘Waarom?’

‘U lacht als ik geen grapje maak en u geeft onmiddellijk antwoord. U denkt helemaal niet eens na over wat ik u heb gevraagd.’

Hij bleef staan. ’Je bent inderdaad een vreemd meisje,’ zei hij, haar aankijkend. ‘Ken je helemaal geen eerbied?’

‘Het was niet mijn bedoeling om beledigend te zijn. Het komt enkel doordat ik het te prettig vind om mensen gade te slaan, denk ik.’

‘Welnu, zegt dit je dan totaal niets?’ Hij klopte op de cijfers 451 die op zijn sintelkleurige tuniek waren gestikt. ‘Ja,’ fluisterde ze. Ze begon sneller te lopen. ‘Hebt u de straalauto’s wel eens over de boulevards ginds zien gieren?’

‘Daar hadden we het niet over!’

‘Ik denk soms wel eens dat chauffeurs niet weten wat gras is, of wat bloemen zijn, omdat zij er altijd maar langs razen,’ zei ze. ‘Als je een chauffeur een wazige groene vlek liet zien zou hij zeggen: “O, ja! dat is gras! Een wazige roze vlek? Dat is een rozenperk! Wazige witte vlekken zijn huizen. Wazige bruine vlekken koeien.” Mijn oom is eens langzaam over de straatweg gereden. Hij reed zeventig kilometer per uur en ze hebben hem er twee dagen voor in de gevangenis gestopt. Is dat niet gek, en ook niet triest?’ ’Jij denkt te veel over allerlei dingen na,’ zei Montag, zich niet op zijn gemak voelend.

‘Ik kijk zelden naar de “salonmuren” en ik ga ook haast nooit naar de autorennen of de pretparken. Daarom komt het denk ik dat ik zoveel tijd heb om allerlei gekke dingen te denken. Hebt u de zeventig meter lange aanplakborden gezien langs de weg buiten de stad? Wist u dat aanplakborden ooit slechts zeven meter lang waren? Maar de auto’s begonnen er zo snel langs te razen dat ze de reclamebiljetten steeds groter moesten maken wilde iemand ze nog kunnen lezen.’

‘Dat wist ik niet!’ Montag lachte kortaf.

‘Ik wed dat ik nog wel iets weet wat u niet weet. ‘s Morgens ligt er dauw op het gras.’

Hij kon zich plotseling niet meer herinneren of hij dat wist of niet en het vervulde hem met een hevige ergernis.

‘En als je kijkt’ – ze gebaarde met haar hoofd naar de hemel, ‘zie je een mannetje in de maan.’

Hij had er al in een hele tijd niet naar gekeken.

Het laatste stukje legden ze zwijgend af, zij in gedachten verzonken, hij inwendig gespannen en onbehaaglijk voor zich uit starend, haar af en toe een beschuldigende blik toewerpend. Toen ze haar huis bereikten zag hij dat overal de lichten brandden.

‘Wat is er aan de hand?’ Montag had zelden zoveel lampen aan gezien in een huis.

‘O, mijn vader en moeder en mijn oom zitten gewoon wat te praten. Het is net zoiets als voetganger zijn, alleen nog zeldzamer. Heb ik u verteld dat mijn oom laatst gearresteerd is omdat hij zich als voetganger op straat bevond? O, we zijn bijzonder vreemd.’ ‘Maar waarover praten jullie?’

Ze lachte om deze vraag. ‘Welterusten!’ Ze liep het tuinpad op. Dan scheen haar iets te binnen te schieten en ze kwam terug en keek hem verbaasd en nieuwsgierig aan. ‘Bent u gelukkig?’ zei ze.

‘Ben ik wat?’ riep hij uit.

Maar ze was al verdwenen – op een holletje door het maanlicht. Haar voordeur viel zachtjes achter haar in het slot.

‘Gelukkig! Wat een baarlijke onzin.’

Hij hield op met lachen.

Hij stak zijn hand in het handschoengat van zijn voordeur en liet het door zijn aanraking weten dat hij het was. De voordeur gleed open.

Natuurlijk ben ik gelukkig. Wat denkt ze wel? Dat ik het niet ben? vroeg hij de stille kamers. Hij keek op naar het rooster van de luchtverversingskoker in de hal en herinnerde zich eensklaps dat er iets lag verborgen achter dat rooster, iets dat nu op hem scheen neer te turen. Hij wendde zijn blik haastig af.

Wat een vreemde ontmoeting. Wat een vreemde avond. Slechts één maal eerder was hem iets dergelijks overkomen, een jaar geleden, toen hij op een middag een oude man had ontmoet in het park en met hem gepraat had…

Montag schudde zijn hoofd. Hij keek naar een lege muur. Hij zag het gezichtje van het meisje erop, een heel mooi gezichtje, zoals het in zijn herinnering gegrift stond, wonderlijk mooi zelfs. Ze had een heel tenger gelaat als de wijzerplaat van een kleine klok die je midden in de nacht flauw in een donkere kamer ziet als je wakker wordt om te kijken hoe laat het is en de klok je het uur en de minuut en de seconde meedeelt, met een witte, doorgloeide stilte, volkomen zeker van zichzelf en wetend dat hij vertellen moet dat de nacht snel verder draait naar dieper duisternissen, maar zich ook voortbeweegt naar een nieuwe zon.

‘Wat?’ vroeg Montag aan dat andere ego, de onderbewuste idioot die soms lallend rond rende, zonder zich te storen aan wil, sleur en geweten.

Hij keek opnieuw naar de muur. Hoezeer leek haar gelaat ook een spiegel. Onmogelijk; want hoeveel mensen kende je die je eigen licht op je terugkaatsten. De mensen waren vaker – hij zocht naar een vergelijking, vond er een in zijn werk – fakkels, hoog oplaaiend tot ze een klein wolkje rook werden. Hoe zelden kwam het voor dat de gezichten van andere mensen je iets ontnamen en je je eigen uitdrukking terugwierpen, je eigen, diepst verborgen, bevende gedachten? Over welk een ongelooflijk identificatievermogen beschikte het meisje; ze was als een gretig-gespannen toeschouwster van een marionettenvoorstelling, die elk geknipper van een ooglid, elk gebaar van zijn hand, de geringste beweging van zijn vingers, voorzien had. Hoe lang hadden ze samen gewandeld? Drie minuten? Vijf? Maar hoe lang scheen die tijd hem nu toe. Wat een onmetelijke gedaante was ze op het toneel daar voor hem; welk een schaduw wierp ze met haar slanke lichaam op de muur! Hij had het gevoel dat ze knipogen zou, als zijn oog jeukte. En als de spieren van zijn kaken zich onmerkbaar spanden, zou zij veel eerder geeuwen dan hij.

Verdraaid, dacht hij, nu ik erover nadenk, lijkt het haast alsof ze me stond op te wachten, daar op straat, zo laat in de avond, dat het haast nacht was…

Hij deed de deur van de slaapkamer open.

Het was alsof hij in de koude, marmeren zaal van een mausoleum kwam nadat de maan is ondergegaan. Volkomen duisternis, geen glimp van de zilveren wereld buiten, de ramen stijf dicht, de kamer een grafkelder-wereld waarin geen geluid van de grote stad kon binnendringen. De kamer was niet leeg.

Hij luisterde.

Het zachte, mug-ijle dansende gezoem in de lucht, het elektrische gegons van een knusjes in zijn warme, roze nestje verborgen wesp. De muziek klonk haast zo luid dat hij de melodie kon volgen. Hij voelde dat zijn glimlach van zijn gelaat week, wegsmolt als een kaars die te lang achtereen had gebrand en nu ineenschrompelde en uitdoofde. Duisternis. Hij was niet gelukkig. Hij sprak de woorden voor zichzelf uit. Hij erkende dat het waar was. Hij had zijn geluk als een masker gedragen en het meisje was met het masker het grasveld over gehold en hij kon niet bij haar aankloppen en het terugvragen.

Zonder het licht aan te draaien stelde hij zich voor hoe deze kamer eruit zou zien. Zijn vrouw uitgestrekt op bed, zonder een deken over haar heen en koud, als een stenen lichaam op het deksel van een doodkist, haar ogen met onzichtbare dunne staaldraden aan het plafond geketend, onbeweeglijk. En in haar oren de kleine zeeschelpen, de vast erin gedrukte vingerhoedradio’s, waardoor een elektronische oceaan van geluid, van muziek en gepraat en muziek en gepraat, aanrolde, aanrolde over het strand van haar slapeloze geest. De kamer was toch leeg. Iedere nacht kwamen de golven aanrollen en droegen haar weg op hun schuimende koppen van geluid, wiegden haar, met wijd open ogen, naar de ochtend toe. Er was de laatste twee jaar geen nacht voorbijgegaan waarin Mildred die zee niet was overgezwommen, niet begerig voor de derde maal erin ondergedoken. Het was koud in de kamer maar toch had hij het gevoel dat hij geen adem kon krijgen. Hij wilde de zware gordijnen niet wegschuiven om de ramen te openen, want hij wilde niet dat het maanlicht de kamer binnenviel. Als een man die het gevoel heeft dat hij binnen het uur zal stikken liep hij daarom op de tast naar zijn eigen opengeslagen, en daarom koude bed.

Een ogenblik voor zijn voet het voorwerp op de vloer raakte wist hij dat hij op een dergelijk voorwerp zou stappen. Het gevoel was ongeveer gelijk aan dat, wat hij ervaren had voor hij de hoek was omgeslagen en het meisje haast had omvergelopen. Zijn voet, die trillingen voor zich uitzond, ving, terwijl hij nog omlaag zwaaide, echo’s op van de kleine hinderpaal, die op zijn pad lag. Hij maakte een schoppende beweging. Het voorwerp rolde met een doffe, droge tik verder het duister in.

Hij bleef kaarsrecht staan en luisterde naar de gedaante op het donkere bed in de ondoordringbare nacht. De adem die uit de neusgaten kwam was zo zwak dat zij enkel de verste zoom van het leven in lichte beroering bracht, een klein blad, een zwarte veer, een enkele haar.

Hij wilde nog steeds geen licht van buiten. Hij haalde zijn aansteker te voorschijn, nam de op het zilveren plaatje gegraveerde salarisander tussen zijn vingers, knipte hem om… Twee maanstenen staarden naar hem op bij het licht van de kleine vlam die hij in zijn hand hield; twee bleke maanstenen op de bodem van een beek vol helder water, waarover het leven van de wereld vloeide, zonder ze aan te raken.

‘Mildred!’

Haar gelaat was als een met sneeuw bedekt eiland waarop regen mocht vallen, maar het voelde geen regen; waarover wolken hun schaduwen mochten werpen, maar zij voelde geen schaduw. Voor haar bestond er alleen het gezang van de vingerhoedwespen in haar dicht afgesloten oren, en haar ogen waren volkomen verglaasd en ze ademde flauwtjes, nauwelijks waarneembaar meer, door haar neusgaten in en uit, en het kon haar niet schelen hoe flauwtjes, hoe flauwtjes.

Het voorwerp dat hij weggeschopt had glinsterde nu onder de rand van zijn eigen bed. Het kleine kristallen flesje met slaaptabletten waarin eerder op de dag dertig capsules hadden gezeten lag nu zonder stop en leeg in het licht van het kleine vlammetje. Terwijl hij daar stond gilde de hemel boven het huis. Er klonk een verschrikkelijk scheurend geluid alsof twee reuzenhanden tienduizend mijl linnen tegen de draad in kapot scheurden. Montag werd doormidden gespleten. Hij voelde dat zijn borst in twee helften werd gekliefd. De straalbommenwerpers kwamen over, kwamen over, kwamen over, één twee, één twee, één twee, zes, negen, twaalf, en de een na de ander, de een na de ander, de een na de ander, en dan weer een andere, en weer een en weer een, krijsten voor hem. Hij opende zijn eigen mond en liet hun gierend gehuil zijn keel indalen en tussen zijn ontblote tanden naar buiten snerpen. Het huis schudde. De vlam in zijn hand ging uit. De maanstenen verdwenen. Hij voelde dat zijn hand wild naar de telefoon tastte.

De straalvliegtuigen waren weg. Hij voelde zijn lippen bewegen, tegen de spreekbuis aan. ‘Noodziekenhuis.’ Een afschuwelijke fluisterstem.

Hij had het gevoel dat de sterren verpulverd waren door het geluid van de zwarte straalvliegtuigen en dat de aarde de volgende ochtend bedekt zou zijn met hun stof, als met een vreemde sneeuw. Dat was zijn ongerijmde gedachte terwijl hij huiverend in de duisternis stond en zijn lippen zich bleven bewegen, bewegen, bewegen.

Ze hadden die machine. Ze hadden eigenlijk twee machines. Eén ervan lieten ze in je maag glijden als een zwarte cobra in een galmende put om al het oude water en al de oude tijd die daar vergaard lagen op te zoeken. Zij dronk de groene materie op die traag kolkend omhoog vloeide. Dronk zij de duisternis op? Zoog zij alle gifstoffen weg die zich er in de loop der jaren hadden verzameld? Zij voedde zich geruisloos, af en toe een gesmoord, benauwd zwelgend geluid makend en blindelings zoekend. Zij had een Oog. De onpersoonlijke man die de machine bediende kon, door een speciale optische helm op te zetten, in de ziel kijken van degene die hij leegpompte. Wat zag het Oog? Hij zei het niet. Hij zag wel, maar zag niet wat het Oog zag. De hele werkwijze had veel weg van het graven van een put in je tuin. De vrouw op het bed was niet meer dan een harde laag marmer waarop ze waren gestuit. Vooruit, ga verder, druk de boor erdoorheen, slobber de leegte op, indien de trillend zuigende slang zoiets voor den dag halen kon. De man die het toestel bediende stond een sigaret te roken.

De andere machine was eveneens in werking.

De andere machine, die bediend werd door een even onpersoonlijke kerel in een vlekvrije roodbruine overall. Deze machine pompte al het bloed uit het lichaam en vulde het weer met nieuw bloed en serum. ‘Moeten ze op allebei de manieren schoonmaken,’ zei de man, die over de geen enkel geluid makende vrouw stond gebogen. ‘Haalt niets uit of je de maag leeghaalt als je het bloed niet zuivert. Laat die rommel achter in het bloed en het bloed beukt de hersenen als een houten hamer, pets, een paar duizend maal en de hersenen begeven het eenvoudig, leggen het bijltje er gewoon bij neer.’

‘Hou op!’ zei Montag.

‘Ik leg het enkel uit,’ zei de man aan het toestel.

‘Zijn jullie klaar?’ vroeg Montag.

Ze draaiden de machines stevig af. ‘We zijn klaar.’ Zijn woede raakte hen zelfs niet. De sigarettenrook kringelde langs hun neus omhoog en in hun ogen, zonder dat ze er maar even mee knipperden. ‘Dat is vijftig dollar.’

‘Vertel me eerst eens of ze weer helemaal opknappen zal.’

‘O, ja, dat zit wel snor. We hebben alle vuile rommel hier in ons valies, daar kan ze geen last meer van hebben. Zoals ik al zei: je haalt het oude eruit en stopt het nieuwe erin en klaar is Kees.’

‘Geen van jullie beiden is arts. Waarom hebben ze geen arts gestuurd?’

‘Verrek nog aan toe!’ De sigaret bewoog op en neer met zijn lippen. ‘We hebben wel negen of tien van die gevallen per nacht. Sinds een paar jaar hebben we er zoveel dat we deze speciale machines hebben laten bouwen. Die optische lens, dat is natuurlijk iets nieuws, de rest is ouwe koek. Voor een geval als dit heb je geen arts nodig; het enige wat je nodig hebt is twee kerels om de toestellen te bedienen, die maken in een half uur schoon schip. Luister eens’ – hij liep naar de deur – ‘we moeten er vandoor. Hebben juist weer een nieuwe oproep gehad door de ouwe oorvingerhoed. Tien straten hiervandaan. Iemand van het dak van een huis gesprongen. Bel ons op als je ons weer nodig hebt. Zorg dat ze zich rustig houdt. We hebben haar een anti-kalmerend middel gegeven. Als ze wakker wordt zal ze wel honger hebben. Tot kijk.’ En de mannen met de sigaret tussen hun dunne, rechte lippen, de mannen met de ogen van pofadders, namen hun machines en slangen op, hun koffer met vloeibare melancholie en het dikke, donkere drab van een stof zonder naam en slenterden de deur uit. Montag liet zich in een stoel zinken en keek de vrouw aan. Haar ogen waren nu rustig gesloten en hij stak zijn hand uit om de warmte van haar adem op zijn palm te voelen.

‘Mildred,’ zei hij eindelijk.

We zijn met te velen, dacht hij. We leven met biljoenen bijeen en dat is te veel. Niemand kent een ander. Vreemdelingen komen en verkrachten je. Vreemdelingen komen en snijden je hart eruit. Vreemdelingen komen en nemen je bloed mee. Alle mensen, wie waren die mannen? Ik had ze nog nooit van mijn leven gezien!

Er ging een half uur voorbij

De bloedstroom in de vrouw was nieuw en scheen haar in zeker opzicht vernieuwd te hebben. Haar wangen waren heel roze en haar lippen heel fris en dieprood en ze zagen er zacht en ontspannen uit. Het bloed van iemand anders daar. Had het maar het vlees en het brein en het geheugen van iemand anders kunnen zijn. Hadden ze haar brein maar naar de wasserij kunnen brengen en de zakken leeggehaald en het gestoomd en schoongemaakt en opnieuw opgeperst en morgenochtend teruggebracht. Hadden ze…

Hij stond op en schoof de gordijnen opzij en zette de tuindeuren wijd open om de nachtlucht binnen te laten. Het was twee uur in de ochtend. Was het nog slechts een uur geleden dat hij met Clarisse McClellan op straat had gelopen en was binnengekomen in de donkere kamer en tegen het kleine kristallen flesje had geschopt? Slechts een uur geleden, doch de wereld was versmolten en in een nieuwe, kleurloze vorm uit de smeltkroes verrezen.

Over het maan overgoten grasveld kwam gelach aangewaaid uit het huis van Clarisse en haar vader en moeder en de oom die zo kalm en zo ernstig glimlachte. Hun gelach was bovenal ontspannen en vrolijk en op geen enkele manier opgeschroefd, komend uit het huis dat zo laat in de nacht nog helder verlicht was, terwijl alle andere huizen in een eenzelvige duisternis lagen besloten. Montag hoorde de stemmen praten, praten, praten, een ogenblik zwijgen en dan weer praten, hem inspinnend in hun hypnotisch web. Montag liep door de openslaande deuren naar buiten en stak het grasveld over, zonder dat het tot hem doordrong wat hij deed. Hij bleef staan in de schaduw van het pratende huis, denkend dat hij misschien zelfs op hun deur zou kunnen kloppen en fluisteren: ‘Laat mij binnenkomen. Ik zal niets zeggen. Ik wil enkel luisteren. Waar hebben jullie het over?’ Maar in plaats daarvan bleef hij heel kil staan luisteren, zijn gelaat een masker van ijs, naar de stem van een man (de oom?) die bedaard en ongedwongen babbelend vervolgde:

‘Welnu, tenslotte is dit de eeuw van het-kan-toch-niet-op-jongens. Snuit je neus in een mens, prop hem in elkaar, smijt hem weg, pak een andere, snuit, prop ineen, smijt weg. Iedereen gebruikt elkaars jaspanden. Hoe zou je je eigen partij moeten aanmoedigen als je niet eens een programma hebt of hun namen kent? Trouwens, wat voor kleur shirts dragen ze als ze het veld op komen? Zelfs dat weet je niet.’

Montag liep naar zijn eigen huis terug, liet de tuindeuren wijd open staan, keek hoe het met Mildred was, stopte de dekens zorgvuldig om haar heen in en ging toen op bed liggen, met het maanlicht op zijn jukbeenderen en op de sombere rimpels in zijn voorhoofd, met het maanlicht neersijpelend in zijn ogen waar het twee zilveren watervallen vormde.

Eén regendruppel. Clarisse. Een tweede. Mildred. Een derde. De oom. Een vierde. De brand vanavond. Eén, Clarisse. Twee, Mildred. Drie, oom. Vier, brand. Eén, Mildred, twee, Clarisse. Eén, twee, drie, vier, vijf, Clarisse, Mildred, oom, brand, slaaptabletten, het-kan-toch-niet-op-jongens, jaspanden, snuit, prop ineen, smijt weg. Eén, twee, drie, één, twee, drie! Regen. De storm. Het gelach van de oom. Naar beneden vallende donderslagen. De hele wereld in regen omlaag stromend. Het vuur, omhoog kolkend als een vulkaan. Allen en alles om hem heen omlaag stortend in één bulderende guts, als een gulzige vloed op de ochtend afrollend.

‘Ik weet niets meer,’ zei hij, en liet een slaaptablet op zijn tong smelten.

De volgende ochtend om negen uur was Mildreds bed leeg. Montag stond gejaagd op, met een wild bonzend hart, rende de hal door en bleef voor de keukendeur staan.

Geroosterd brood wipte uit een zilveren broodrooster, werd gegrepen door een spinachtige metalen hand, die er gesmolten boter op goot. Mildred keek toe hoe het brood op haar bord werd gelegd. Haar beide oren zaten dichtgestopt met elektronische bijen die de tijd weg gonsden. Ze keek plotseling op, zag hem staan en knikte.

‘Voel je je goed?’ vroeg hij.

Ze was geweldig bedreven geraakt in liplezen na tien jaar lang Zeeschelpen in haar oren. Ze knikte opnieuw. Ze legde een nieuwe snee brood op de rooster. Montag ging zitten.

Zijn vrouw zei: ‘Ik snap niet waarom ik zo’n honger heb.’

‘Je -’

‘Ik heb honger.’

‘Vannacht,’ begon hij.

‘Heb niet goed geslapen. Voel me afschuwelijk,’ zei ze. ‘Hemel, wat heb ik een honger. Ik begrijp er niets van.’

‘Vannacht -’ zei hij weer.

Ze keek maar half geïnteresseerd naar zijn lippen. ‘Wat is er vannacht gebeurd?’

‘Herinner je je het niet meer?’

‘Hoezo? Hebben we een wild feest gehad of zoiets? Ik voel me net alsof ik een kater heb. Hemel, wat heb ik een honger. Wie zijn er geweest?’

‘Een paar mensen,’ zei hij.

‘Dat dacht ik al.’ Ze nam een hap van haar geroosterde boterham. ‘Pijn in mijn maag, maar honger als een wolf. Hoop dat ik me niet aangesteld heb op het feest.’

‘Nee,’ zei hij rustig.

De metalen spin stak hem een beboterde boterham toe. Hij pakte hem aan, zich verplicht voelend ook iets te eten.

‘Je ziet er zelf nu ook niet bepaald zo kiplekker uit,’ zei zijn vrouw.

Laat in de middag regende het en de hele wereld zag donkergrijs. Hij stond in de hal van zijn huis zijn insigne met de gloeiende oranje salamander erop aan zijn tuniek te bevestigen. Hij bleef een hele tijd staan kijken naar de luchtverversingskoker boven zijn hoofd. Zijn vrouw, in de TV-salon, hield lang genoeg op met het lezen van haar script om een blik op hem te werpen. ‘Hé,’ zei ze. ‘Die man staat te denken.’ ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik wilde eens met je praten.’ Hij zweeg. ‘Je hebt gisteravond alle pillen uit je flesje ingenomen.’

‘O, zoiets zou ik nooit doen,’ zei ze verbaasd. ‘Het flesje was leeg.’

‘Zoiets zou ik nooit doen. Waarom zou ik zoiets doen?’ zei ze.

‘Misschien heb je eerst twee pillen genomen en was je dat vergeten en heb je er toen nog eens twee genomen en ben je dat weer vergeten en heb je er nog eens twee genomen, en was je toen zo suf dat je doorgegaan bent tot je ze alle dertig of veertig had ingenomen.’

‘Verrek,’ zei ze, ‘waarom zou ik zoiets stoms doen?’

‘Dat weet ik niet,’ zei hij.

Ze wachtte kennelijk op wat hij nog meer te zeggen had.

‘Zoiets zou ik nooit doen,’ zei ze. ‘Nog in geen miljard jaar.’

‘Goed dan, als je het zeker weet,’ zei hij.

‘Dat zei de dame ook.’ Ze boog zich weer over haar script.

‘Wat geven ze vanmiddag?’ vroeg hij vermoeid.

Ze hield haar ogen op het script gevestigd. ‘Dit is een stuk dat over tien minuten op de muren komt. Ze hebben me mijn rol vanochtend per post toegestuurd. Ze laten één rol open in dit script. Dat is een nieuw idee. De rol van de huishoudster, dat ben ik, is opengelaten. Wanneer ze bij de ontbrekende regels komen, kijken ze allemaal uit de drie wanden naar mij en zeg ik de tekst. Hier bijvoorbeeld zegt de man: “Wat denk je van dit hele idee, Helen?” En dan kijkt hij naar mij, hier op het midden van het toneel, snap je? En ik zeg, ik zeg -’ Ze zweeg even en wees een regel in het script met haar vinger aan. ‘Het lijkt me geweldig!” En dan gaan ze door met het stuk tot hij zegt: “Ben je het daarmee eens, Helen?” en ik zeg: “Zeker!” Vind je het niet reuze lollig, Guy?’

Hij bleef haar vanuit de hal staan aankijken. ‘Ik vind het reuze lollig,’ zei ze.

‘Waar gaat het stuk over?’

‘Dat heb ik je net verteld. Het gaat over Bob en Ruth en Helen.’

‘O.’

‘Het is echt reuze lollig. En het zal nóg lolliger zijn als we de vierde wand kunnen laten plaatsen. Hoe lang denk je dat we nog moeten sparen voor we de vierde muur eruit kunnen laten halen en door een vierde TV-wand vervangen? Het kost maar tweeduizend dollar.’

‘Dat is een derde van wat ik per jaar verdien.’

‘Het is maar tweeduizend dollar,’ antwoordde ze. ‘En ik vind dat je ook wel eens aan mij zou mogen denken. Als we een vierde wand hadden, zou het net zijn alsof deze kamer helemaal niet onze kamer was, maar de kamer van allerlei leuke vreemde mensen. We zouden ons best een paar dingen kunnen ontzeggen.’

‘We ontzeggen ons al een paar dingen om de derde wand te kunnen betalen. Die is nog maar twee maanden geleden geplaatst, of ben je dat al weer vergeten?’

‘Heb je me niet meer te vertellen?’ Ze keek hem een ogenblik strak aan. ‘Nu, tot ziens dan, liefste.’

‘Tot ziens,’ zei hij. Hij bleef staan en draaide zich om.

‘Heeft het een blij slot?’

‘Zover ben ik nog niet gekomen.’

Hij liep naar haar toe, las de laatste bladzijde, knikte, vouwde het script samen en stak het haar weer toe. Hij liep het huis uit, de regen in.

Het regende nog maar nauwelijks en het meisje liep midden op het trottoir met haar hoofd naar achteren om de schaarse druppels op haar gezicht te voelen vallen. Ze glimlachte toen ze Montag zag.

‘Hallo!’

Hij begroette haar en zei dan: ‘Wat ben je nu weer aan het doen?’

‘Ik ben nog steeds gek. De regen voelt zo prettig aan. Ik vind het heerlijk om erin te lopen.’

‘Ik denk niet dat ik het heerlijk zou vinden,’ zei hij. ‘Misschien wel, als u het eens probeerde.’

‘Dat heb ik nog nooit gedaan.’

Ze likte haar lippen af. ‘Regen smaakt zelfs lekker.’ ‘Wat doe je feitelijk de hele dag, zo maar rondlopen en alles een keer proberen?’

‘Soms twee keer.’ Ze keek naar iets in haar hand.

‘Wat heb je daar?’ zei hij.

‘Een paardenbloem, de laatste vermoedelijk. Ik had niet gedacht dat ik er zo laat in het jaar nog een op het grasveld zou vinden. Hebt u wel eens gehoord dat je je ermee onder je kin moet strijken? Kijk, zo.’ Ze raakte lachend haar kin aan met de bloem.

‘Waarom?’

‘Als hij afgeeft, betekent dat, dat ik van iemand houd. Heeft hij afgegeven?’

Er zat niets anders voor hem op dan te kijken. ‘Nu?’ zei ze.

‘Je bent daar geel, ja.’

‘Prachtig! Laten we het nu eens bij u proberen.’ ‘Bij mij gaat dat niet op.’

‘Hier.’ Voor hij een tegenwerping kon maken had ze de paardenbloem tegen zijn kin gedrukt. Hij deinsde achteruit en ze lachte. ‘Stil blijven staan!’

Ze gluurde onder zijn kin en fronste haar voorhoofd. ‘En?’ zei hij.

‘Wat erg,’ zei ze. ‘U houdt van niemand.’

‘Toch wel!’

‘Het blijkt niet.’

‘Toch wel, heel veel zelfs!’ Hij trachtte een gelaat voor zijn geest te roepen, om zijn woorden te staven, maar er kwam geen gelaat. ‘Toch wel!’

‘O, kijk alstublieft niet zo!’

‘Het komt door die paardenbloem,’ zei hij. ‘Je hebt al het geel op je eigen kin gesmeerd. Daarom gaat het bij mij niet op.’

‘Natuurlijk, daardoor komt het. O, nu heb ik u van streek gemaakt, ik kan het zien. Het spijt me, echt.’ Ze raakte zijn elleboog aan.

‘Nee, nee,’ zei hij haastig, ‘dat lijkt maar zo.’

‘Ik moet verder, zeg daarom eerst dat u het mij vergeeft, ik wil niet dat u boos op me bent.’

‘Ik ben niet boos. Wel van streek, ja.’

‘Ik moet nu naar mijn psychiater toe. Ze dwingen me om erheen te gaan. Ik vertel hem allerlei verzinsels. Ik weet niet wat hij van me denkt. Hij zegt dat ik een echte rare ben.’

‘Volgens mij heb je de psychiater hard nodig,’ zei Montag.

‘Dat meent u niet.’

Hij haalde diep adem, liet de lucht weer langzaam uit zijn longen ontsnappen en zei eindelijk: ‘Nee, dat meen ik niet.’

‘De psychiater wil weten waarom ik door de bossen zwerf en naar de vogels kijk en vlinders verzamel. Ik zal u mijn verzameling eens een keer laten zien.’ ‘Graag.’

‘Ze willen weten wat ik met al mijn tijd doe. Ik vertel hun dat ik soms gewoon zit te denken. Maar ik vertel hun niet wat. Ze kunnen geen wijs uit me worden. En soms, vertel ik hun, vind ik het prettig om mijn hoofd achterover te houden, zoals nu, en de regen in mijn mond te laten vallen. Hij smaakt precies als wijn. Hebt u het wel eens geprobeerd?’

‘Nee, ik -’

‘U hebt me toch wel vergeven, is het niet?’

‘Ja.’ Hij dacht erover na. ‘Ja, ik heb het je vergeven. God mag weten waarom. Je bent vreemd, je bent onuitstaanbaar, en toch is het niet moeilijk om je vergiffenis te schenken. Je zegt dat je zeventien bent?’

‘Nu – volgende maand.’

‘Wat raar. Wat gek. Mijn vrouw is dertig en toch lijk jij soms veel ouder. Ik begrijp het niet.’

‘U bent zelf ook eigenaardig, mijnheer Montag. Soms vergeet ik zelfs dat u brandman bent. Luister eens, mag ik u iets vragen waarover u misschien weer boos worden zult?’

‘Ga je gang.’

‘Hoe bent u ertoe gekomen? Waarom bent u erbij gegaan? U bent niet zoals de anderen. Ik heb er een paar gezien, en ik weet het. Als ik praat, kijkt u me aan. Toen ik gisteravond iets over de maan zei, keek u naar de maan. Dat zouden de anderen nooit doen. De anderen zouden mij hebben laten kletsen en weggelopen zijn. Of mij hebben bedreigd. Niemand heeft meer tijd voor een ander. U bent een van de weinigen die mij dulden. Daarom vind ik het zo vreemd dat u brandman bent; op de een of andere manier komt het me voor dat u dat niet zou horen te zijn.’

Hij voelde dat zijn lichaam zich in een warme en een koude helft deelde, een zachte en een harde, een bevende en een niet bevende, en dat de beide helften elkaar trachtten te vermorzelen.

‘Loop maar gauw door naar je psychiater,’ zei hij. En ze holde weg en liet hem daar staan in de regen. Pas na een hele tijd stapte hij zelf ook verder.

En toen, onder het lopen, hief hij, heel langzaam, slechts een ogenblik lang, zijn hoofd achterover in de regen en opende zijn mond…

De Mechanische Hond sliep, maar sliep niet; leefde, maar leefde niet in zijn zacht gonzende, zacht trillende, gedempt verlichte hok achterin een donkere hoek van de brandkazerne. Het vale licht van één uur ‘s morgens, het maanlicht uit de heldere hemel dat door het grote raam naar binnen viel, deed hier en daar het geelkoper en het roodkoper en het staal van het flauw trillende dier glinsteren. Het licht fonkelde in stukjes robijnrood glas en op gevoelige nylon haartjes in de neusgaten van het beest dat zachtjes, zachtjes trilde, op zijn acht spinachtige op rubberkussentjes rustende poten.

Montag gleed omlaag langs de koperen stang. Hij liep naar buiten om naar de stad te kijken en naar de wolken die volkomen waren weggetrokken en hij stak een sigaret op en kwam terug en boog zich voorover en keek naar de Hond. Hij was als een reusachtige bij die naar zijn korf was teruggekeerd van een of ander veld waar de honing vol giftige woede, vol grimmige waanzin is, zijn lichaam volgepropt met die overrijke nectar, en die zich nu in zijn slaap van alle verdorvenheid bevrijdde.

‘Dag,’ zei Montag, gefascineerd als altijd door het dode beest, het levende beest.

Op avonden wanneer er niets te doen was – en er was haast nooit iets te doen – gleden de mannen langs de koperen stangen omlaag en zetten het tikkende reuksysteem van de Hond in werking en lieten ratten los in het souterrain van de brandpost en soms kippen en soms katten die toch verdronken moesten worden en dan werd er onderling gewed welke kat of kip of rat de Hond het eerst zou grijpen. De dieren werden losgelaten. Drie seconden later was het spelletje afgelopen, de rat, kat of kip gevangen halverwege het souterrain, in meedogenloze poten geklemd terwijl een decimeter lange, holle stalen naald naar voren schoot uit de snuit van het dier om een geweldige dosis morfine of procaïne in te spuiten. Het dode dier werd dan in de verbrandingsoven gegooid en het spel begon opnieuw. Montag bleef meestal boven als ze hiermee bezig waren. Er was een tijd geweest, een paar jaar geleden, dat hij volop en geestdriftig had meegewed en een weekgeld verspeeld en Mildreds krankzinnige woede had moeten trotseren, die zich uitte in gezwollen aderen en paarsblauwe vlekken op haar gezicht. Maar nu bleef hij in zijn kooi liggen, zijn gelaat naar de muur gekeerd, luisterend naar het gierende gelach beneden hem en het droge getrippel van de ratten, het hoge gepiep van de muizen en de diepe, onheilspellende mechanische stilte van de Hond die als een mot het felle licht in vloog, zijn slachtoffer vindend, grijpend, de naald erin borend, om dan terug te gaan naar zijn hok om te sterven alsof er een knop was omgedraaid.

Montag raakte zijn snuit aan.

De Hond gromde.

Montag sprong achteruit.

De Hond rees half overeind in zijn hok en keek hem aan met een groen-blauw geflikker van neonlicht in zijn eensklaps tot leven ontwaakte ooglampen. Hij gromde opnieuw, een vreemde, schurende mengeling van elektrisch gesis, het geluid dat een braadpan maakt, het gekras van metaal, het draaien van kamraderen die roestig en oud van achterdocht leken. ‘Nee, nee, jongen,’ zei Montag, met een wild bonzend hart. Hij zag de zilveren naald een paar centimeter de lucht in steken, teruggaan, omhoogsteken, teruggaan. Het grommende geluid stierf weg in het beest en het keek hem aan.

Montag deed een paar stappen naar achteren. De Hond kwam een pas zijn hok uit. Montag greep met één hand de koperen stang beet. De stang reageerde onmiddellijk en gleed omlaag, hem rustig met zich meevoerend door het plafond. Hij liet hem los toen hij de zwak verlichte bovenste verdieping bereikte. Hij beefde en zijn gelaat zag vaalgroen. Beneden hem was de Hond weer neergezonken op zijn acht onvoorstelbare insectenpoten en gonsde weer voor zich uit, zijn facetogen donker en vredig.

Montag bleef bij het valgat staan, wachtend tot zijn angst hem zou hebben verlaten. Achter hem wierpen vier mannen aan een kaarttafeltje onder een groene schemerlamp in de hoek hem even een blik toe doch zeiden niets. Alleen de man die de kapiteinspet droeg met het fenix-insigne erop riep eindelijk, nieuwsgierig, zijn speelkaarten in zijn magere hand, door het lange vertrek:

‘Montag…?’

‘Hij mag me niet,’ zei Montag.

‘Wat, de Hond?’ De kapitein bestudeerde zijn kaarten. ‘Hou nu gauw op. Hij weet niet wat sympathie of antipathie is. Hij “verricht” alleen. Het is als een les in ballistiek. Hij heeft een baan die wij voor hem uitstippelen. Die volgt hij tot hij het doel heeft bereikt. Dan keert hij terug en is het gebeurd. Hij is niet meer dan wat koperdraad, een paar accumulatoren en elektriciteit.’

Montag slikte moeizaam. ‘Zijn calculatoren kunnen op iedere combinatie worden ingesteld, zoveel aminozuren, zoveel zwavel, zoveel botervet en alkali, niet?’

‘Dat weten we allemaal.’

‘Al die chemische verhoudingen en percentages van ons allen hier in de post worden beneden in het dossier bewaard. Iemand zou gemakkelijk een gedeeltelijke combinatie op het “geheugen” van de hond kunnen instellen, enkel de aminozuren misschien. Dat zou een verklaring vormen voor wat het dier daarnet deed. Hij reageerde op me.’

‘Verdomme,’ zei de kapitein.

‘Hij was geërgerd, maar niet werkelijk boos. Iemand had juist genoeg “geheugen” in hem opgewekt om hem te doen grommen toen ik hem aanraakte.’

‘Wie zou zoiets doen?’ vroeg de kapitein. ‘Je hebt hier geen vijanden, Guy.’

‘Niet voor zover ik weet, nee.’

‘We zullen de Hond morgen door onze technici laten nakijken.’

‘Dat is niet de eerste keer dat hij me bedreigd heeft,’ zei Montag. ‘De vorige maand is het twee keer gebeurd.’

‘We zullen zorgen dat er een eind aan komt. Maak je maar niet bezorgd.’

Maar Montag bleef staan en dacht aan het luchtkokerrooster in de hal van zijn huis en aan wat er achter het rooster verborgen lag. Indien iemand hier op de post ervan afwist, zouden ze het dan misschien niet aan de Hond ‘verklikken’…?

De kapitein liep naar het valgat toe en keek Montag onderzoekend aan.

‘Ik vraag me wel eens af,’ zei Montag, ‘waaraan denkt de Hond als hij daar ‘s avonds beneden ligt? Zou hij echt tot leven komen zonder dat wij het merken? Ik word er koud van.’

‘Hij denkt alleen maar datgene wat wij willen dat hij denkt.’

‘Dat is triest,’ zei Montag rustig, ‘want het enige wat wij hem laten doen is een prooi achtervolgen en vinden en doden. Wat verduiveld jammer eigenlijk dat hij nooit iets anders kennen zal.’

Beatty snoof lichtverachtelijk. ‘Verrek! Het is een mooi stukje vakmanschap, een goed geweer dat zelf zijn doel kan opzoeken en honderd procent treffers waarborgt.’

‘Daarom juist,’ zei Montag. ‘Ik zou niet graag zijn volgende slachtoffer zijn.’

‘Waarom? je hebt toch nergens een schuldig geweten over?’

Montag keek haastig even omhoog.

Beatty bleef hem strak staan aankijken, terwijl zijn mond heel zachtjes begon te lachen.

Eén twee drie vier vijf zes zeven dagen. En even zo vele malen kwam hij uit de post en was Clarisse ergens op de wereld. Eenmaal zag hij haar aan een walnotenboom schudden, eenmaal zag hij haar op het grasveld zitten, een blauw truitje breiend, drie of vier maal vond hij een ruiker late bloemen op zijn veranda, of een handjevol kastanjes in een zakje, of een paar herfstbladeren netjes op een vel wit papier geprikt en met een punaise aan zijn deur bevestigd. Iedere dag liep Clarisse met hem mee naar de hoek. Eén dag regende het, de dag erop was het mooi weer, de dag daarna stond er een sterke wind, en de dag daarna was het kalm, stil weer, en de dag na die windstille dag was het heet als midden in de zomer en was Clarisses gezichtje aan het eind van de middag bruinverbrand door de zon.

‘Waarom,’ zei hij een keer bij de ingang van de ondergrondse, ‘heb ik het gevoel alsof ik je al jarenlang ken?’

‘Omdat ik u graag mag,’ zei ze, ‘en ik niets van u verlang. En omdat we elkaar kennen.’

‘Als ik bij jou ben voel ik me heel oud en heel erg vaderlijk.’

‘Leg me eens uit,’ zei ze, ‘waarom u zelf geen dochters hebt zoals ik, als u zoveel van kinderen houdt.’ ‘Dat weet ik niet.’

‘U maakt een grapje!’

‘Ik bedoel -’ Hij bleef staan en schudde zijn hoofd. ‘Welnu, mijn vrouw, zij… zij heeft nooit kinderen willen hebben.’

Het meisje glimlachte niet meer. ‘Neem me niet kwalijk. Ik dacht echt dat u zich ten koste van mij wilde vermaken. Ik ben een dwaas.’

‘Nee, nee,’ zei hij. ‘Het was een goede vraag. Het is al heel lang geleden sinds iemand genoeg om mij gegeven heeft om hem mij te stellen. Een goede vraag.’ ‘Laten we ergens anders over praten. Hebt u wel eens oude bladeren geroken? Ruiken ze niet net als kaneel? Hier. Ruik maar eens.’

‘Ja, zeker, de geur heeft inderdaad iets weg van kaneel.’

Ze keek hem aan met haar heldere, donkere ogen. ‘U lijkt altijd geshockeerd.’

‘Dat komt omdat ik geen tijd heb gehad om -’

‘Hebt u naar de zeventig meter lange aanplakborden gekeken waarover ik u verteld heb?’

‘Ik geloof van wel. Ja.’ Hij moest onwillekeurig lachen.

‘Uw lach klinkt veel prettiger dan een tijdje terug.’ ‘Echt?’

‘Veel minder gespannen.’

Hij voelde zich behaaglijk en op zijn gemak. ‘Waarom ben je niet op school? Ik zie je hier elke dag rondzwerven.’

‘O, ze missen me niet,’ zei ze. ‘Ik ben asociaal, zeggen ze. Ik ga niet met de andere kinderen om. Het is zo vreemd. Ik ben in werkelijkheid heel sociaal. Het hangt er maar van af wat je met sociaal bedoelt, niet? Sociaal zijn betekent voor mij met u praten over dit soort dingen.’ Ze rammelde met een paar kastanjes die van een boom in de voortuin waren gevallen. ‘Of praten over hoe vreemd de wereld is. Het is prettig om met mensen om te gaan. Maar ik vind het niet sociaal om een stel mensen bij elkaar te halen en ze dan niet te laten praten, u wel? Een uur TV-klas, een uur basketbal of honkbal of hardlopen, dan een uur geschiedenis opschrijven of schilderijen maken, en meer sport, maar weet u, we stellen nooit vragen, de meesten tenminste niet; ze draaien enkel de antwoorden voor je af, hup, hup, hup, en dan zitten we weer nog eens vier uur naar een leraar op de film te kijken. Dat noem ik allesbehalve sociaal. Het is enkel een stel trechters waar ze water ingieten dat er van onderen weer uitloopt en zij vertellen ons wel wanneer het wijn is en wanneer niet. Ze stampen ons zo vol dat we aan het eind van de dag enkel nog naar bed kunnen gaan of naar een pretpark om er mensen te pesten, ruiten te breken in de Sla-ze-aan-diggelen-tent of auto’s te vernielen met de grote stalen bal in de Beuk-ze-tot-prak-tent. Of in auto’s te stappen en door de straten te gieren, te kijken hoe dicht je bij de lantarenpalen kunt komen, “chicken” en “knock hub-caps” te spelen. Ik ben waarschijnlijk precies zoals ze zeggen. Ik heb geen vrienden of vriendinnen. Dat moet dan het bewijs vormen dat ik abnormaal ben. Maar iedereen die ik ken doet niets anders dan schreeuwen en gillen, of ronddansen als een wildeman, of vechten en knokken. Is het u opgevallen hoe de mensen elkaar tegenwoordig pijn doen en letsel toebrengen?’

‘Je praat alsof je tachtig bent.’

‘Soms voel ik mij nog veel ouder. Ik ben bang van kinderen van mijn eigen leeftijd. Ze vermoorden elkaar. Is dat altijd zo geweest? Mijn oom zegt van niet. Alleen vorig jaar al zijn zes van mijn schoolkameraden doodgeschoten. Tien anderen zijn bij auto-ongelukken om het leven gekomen. Ik ben bang van hen en zij mogen mij niet omdat ik bang ben. Mijn oom zegt dat zijn grootvader zich een tijd herinnerde toen kinderen elkaar niet vermoordden. Maar dat was lang geleden toen alles anders was. Toen geloofden ze in verantwoordelijkheid, zegt mijn oom. Weet u, ik ben verantwoordelijk. Ik kreeg een pak slaag wanneer ik het verdiend had, jaren geleden. En ik doe zelf alle boodschappen en houd het huis eigenhandig schoon.’

‘Maar het liefst van alles,’ zei ze, ‘sla ik mensen gade. Soms rijd ik de hele dag rond in de ondergrondse en kijk naar ze en luister naar ze. Ik probeer erachter te komen wie ze zijn en wat ze willen en waar ze naartoe gaan. Soms ga ik zelfs naar de Pretparken en rijd mee in de straalauto’s wanneer ze ‘s avonds langs de rand van de stad razen en de politie zich er niets van aantrekt zolang ze maar verzekerd zijn. Zolang iedereen voor tienduizend dollar is verzekerd, is iedereen gelukkig. Soms zit ik ook stiekem te luisteren in ijssalons en weet u wat het gekke is?’ ‘Nu?’

‘De mensen praten nergens over.’

‘Maar dat kan toch zeker niet.’

‘Echt. Ze noemen een hoop dingen op, meestal auto’s of kleren of zwembaden en zeggen hoe geweldig het allemaal is. Maar ze zeggen precies hetzelfde, niemand zegt ooit eens iets anders dan een ander. En in de cafés laten ze meestal moppen afdraaien en het zijn haast altijd dezelfde oude moppen ook, of ze kijken naar een revue op de TV-wand of naar al die bewegende kleurige patronen, maar het is alleen maar kleur en altijd abstract. En in de musea, bent u daar wel eens geweest? Alles abstract. Iets anders is er niet meer. Mijn oom zegt dat het vroeger anders geweest is. Een hele tijd geleden drukten schilderijen iets uit of kwamen er zelfs mensen op voor.’

‘Je oom zei, je oom zei, je oom zei. Je oom moet een bijzondere man zijn.’

‘Dat is hij ook. Dat is hij zeker. Maar ik moet er nu vandoor. Tot ziens, mijnheer Montag.’

‘Tot ziens.’

‘Tot ziens…’

Eén twee drie vier vijf zes zeven dagen: de brandpost.

‘Montag, je klautert tegen die stang op als een aap tegen een boom.’

Derde dag.

‘Montag, ik zie dat je dit keer door de achterdeur bent binnengekomen. Valt de Hond je nog lastig?’ ‘Nee, nee.’

Vierde dag.

‘Montag, iets geks gehoord vanochtend. Brandman in Seattle heeft met opzet een Mechanische Hond op zijn eigen chemische complex ingesteld en hem daarna losgelaten. Wat voor soort zelfmoord zou je dat noemen?’

Vijf, zes, zeven dagen:

En toen was Clarisse verdwenen. Hij wist niet wat er aan de middag haperde, maar het was dat hij haar niet ergens zag. Het grasveld was verlaten, de bomen waren verlaten, de straat was verlaten en ofschoon hij aanvankelijk zelfs niet wist dat hij haar miste of zelfs maar naar haar uitkeek, was het een feit dat hij, tegen de tijd dat hij bij de ondergrondse kwam, een vage ongerustheid in zich voelde opwellen. Er was iets aan de hand, zijn sleur was doorbroken. Het was maar een eenvoudige sleur, dat was waar, die nog slechts van heel kort dateerde, en toch…? Hij was haast omgekeerd om het kleine eindje nogmaals te lopen, om haar tijd te geven te verschijnen. Hij was er zeker van dat als hij dezelfde weg nam, alles in orde komen zou. Maar het was al laat en de aankomst van de trein verhinderde hem zijn plan ten uitvoer te leggen.

Het geritsel van speelkaarten, de bewegingen der handen, het geknipper van oogleden, de eentonige stem die de tijd afriep in het plafond van de brandpost: ‘…één vijfendertig, donderdagochtend, 4 november … één zesendertig… één zevenendertig voormiddag…’ Het getik van de kaarten op het vette tafelblad, alle geluiden drongen tot Montag door achter zijn gesloten ogen, achter de barrière die hij tijdelijk had opgetrokken. Hij voelde de glanzende, glinsterende stilte om zich heen, van geel en rood koper, van zilver, van goud en de kleur van geldstukken. De onzichtbare mannen aan het tafeltje zuchtten over hun kaarten, wachtend…

‘Eén vijfenveertig…’ De stemklok riep treurig het koude uur van een koude ochtend van een nog kouder jaar af.

‘Wat scheelt eraan, Montag?’

Montag opende zijn ogen.

Ergens gonsde een radio… ‘Ieder ogenblik kan de oorlogsverklaring worden verwacht. Dit land staat gereed om voor de verdediging van zijn…’

De brandpost trilde toen een grote vlucht straalvliegtuigen één gierende toon door de zwarte ochtendhemel floot.

Montag knipperde met zijn ogen. Beatty zat hem te bekijken alsof hij een beeld in een museum was. Ieder ogenblik zou Beatty kunnen opstaan en naar hem toelopen, hem aanraken, zijn misdaad uitvorsen. Misdaad? Wat voor misdaad was dat dan?

‘Jij moet uitkomen, Montag.’

Montag keek naar deze mannen wier gezichten verweerd waren door duizend echte en tienduizend denkbeeldige branden, wier werk hun wangen een hoogrode kleur gaf en hun ogen een koortsachtige gloed. Deze mannen die bedaard in de platinum vlammen van hun aansteker staarden terwijl ze hun altijd brandende zwarte pijpen aanstaken. Deze mannen met hun koolzwarte haar en roetzwarte wenkbrauwen en als met blauwachtige as besmeurde wangen, waar zij zich glad geschoren hadden; doch hun erfdeel liet zich niet verloochenen. Montag keek verschrikt op, met halfopen mond. Had hij ooit een brandman gezien die geen zwart haar, zwarte wenkbrauwen, een vurig rood gezicht en staalblauwe gladgeschoren en toch ongeschoren wangen had? Deze mannen waren allen spiegelbeelden van hemzelf! Werden alle brandlieden dan niet slechts op grond van hun geaardheid, doch ook op grond van hun voorkomen uitgekozen? Hun kleur was die van sintels en as en er hing een voortdurende brandlucht om hen heen uit hun pijp. Kapitein Beatty daar, oprijzend in donderwolken van tabaksrook. Beatty, die een vers pakje tabak openmaakte, het cellofaan ineenfrommelend met een knetterend geluid als van brandend hout.

Montag keek naar de kaarten die hij in zijn hand hield.

‘Ik – ik zat te denken. Over de brand van vorige week. Over de man wiens bibliotheek we hebben opgeruimd. Wat is er met hem gebeurd?’

‘Ze hebben hem gillend en krijsend naar het gekkenhuis gebracht.’

‘Hij was niet krankzinnig.’

Beatty schikte rustig zijn kaarten. ‘Iedereen die denkt dat hij de regering en ons om de tuin kan leiden is krankzinnig.’

‘Ik heb geprobeerd me voor te stellen,’ zei Montag, ‘hoe je je zou voelen. Ik bedoel, als er brandlieden kwamen om onze huizen en onze boeken te verbranden.’

‘Wij hebben geen enkel boek.’

‘Maar als we er nu eens wel een paar hadden.’ ‘Jij hebt er een paar?’

Beatty knipperde langzaam met zijn oogleden. ‘Nee.’ Montag staarde langs hem heen naar de muur waar de getypte lijsten hingen van een miljoen verboden boeken. Hun titels sprongen omhoog in de vlammen, het verleden verteerde tot as onder zijn bijl en zijn slang die geen water doch petroleum spoot. ‘Nee.’ Maar in zijn brein stak een koele wind op die zachtjes, zachtjes aangewaaid kwam uit het luchtkokerrooster bij hem thuis en zijn gelaat deed verkillen. En hij zag zichzelf weer in een groen park praten met een oude man, een heel oude man, en de wind uit het park was ook oud.

Montag aarzelde. ‘Is het – is het altijd zo geweest? De brandpost, ons werk? Ik bedoel – welnu – lang geleden was er eens…’

‘Lang geleden was er eens!’ zei Beatty. ‘Wat is dat voor praat?’

Dwaas, dacht Montag bij zichzelf, je zult je verraden. Bij de laatste brand had hij een blik geworpen op een enkele regel in een sprookjesboek. ‘Ik bedoel,’ zei hij, ‘vroeger, voor de huizen volkomen vuurvast waren -’ Het leek hem plotseling toe alsof een veel jongere stem voor hem sprak. Hij opende zijn mond en het was Clarisse McClellan die zei: ‘Voorkwamen brandlieden toen geen branden in plaats van ze aan te steken?’

‘Die is goed!’ Stoneman en Black pakten hun voorschriften, waarin ook in het kort de geschiedenis van de Brandlieden van Amerika stond beschreven en sloegen ze open op een bladzij waarop Montag, hoewel hij het allemaal reeds lang wist, kon lezen:

‘Opgericht in 1790 om van Engelse invloed getuigende boeken in de koloniën te verbranden. Eerste Brandman: Benjamin Franklin.’

Voorschrift:

1.   Treed onmiddellijk op bij het eerste alarm.

2.   Steek de brand snel aan.

3.   Verbrand alles.

4.   Breng direct verslag uit op de brandpost.

5.   Houd u in gereedheid voor het volgende alarm.

Iedereen keek Montag aan. Hij verroerde zich niet. De alarmschel weerklonk.

De bel in het plafond schopte zichzelf tweehonderd maal.

Plotseling waren er vier lege stoelen. De kaarten dwarrelden als sneeuwvlokken neer. De koperen stang sidderde. De mannen waren verdwenen.

Montag zat nog in zijn stoel. Beneden kwam de oranje draak kuchend tot leven.

Montag gleed langs de stang omlaag als een slaapwandelaar.

De Mechanische Hond sprong overeind in zijn hok, zijn ogen één groene vlam.

‘Montag, je vergeet je helm!’

Hij griste hem van de muur achter zich, rende, sprong, en ze schoten weg, door de avondwind die rond het gekrijs van hun sirene en hun machtige metalen gebulder hamerde!

Het was een haveloos huis van drie verdiepingen in het oude deel van de stad, het moest minstens al een eeuw geleden gebouwd zijn, zo niet nog eerder, maar evenals alle huizen was het vele jaren geleden met een dunne laag vuurvast plastic bedekt en deze beschermende huid scheen het enige te zijn waardoor het nog voor instorten werd behoed.

‘Hier is het!’

De wagen hield met een ruk halt. Beatty, Stoneman en Black stormden het trottoir op, eensklaps dik en afzichtelijk in hun ruime, vuurvaste jassen. Montag kwam achter hen aan.

Ze trapten de voordeur in en grepen een vrouw beet, ofschoon ze niet wegliep, niet trachtte de vlucht te nemen. Ze stond enkel achter de deur, heen en weer wiegend, haar ogen star en uitdrukkingsloos gericht op de kale muur, alsof ze een ontzettende klap op haar hoofd had gekregen. Haar tong bewoog in haar mond en haar ogen schenen te trachten zich iets te herinneren en dan herinnerden zij het zich en haar tong bewoog weer.

‘Toon dat je een man bent, meester Ridley; wij zullen, bij de gratie Gods, vandaag zo’n kaars in Engeland aansteken, dat het licht ervan nooit meer gedoofd zal worden.’

‘Houd op met die onzin!’ zei Beatty. ‘Waar zijn ze?’ Hij sloeg haar met een verwonderlijke bedaardheid in haar gezicht en herhaalde zijn vraag. De ogen van de oude vrouw richtten zich dwalend op Beatty. ‘Je weet wel waar ze zijn, anders zou je niet hier wezen,’ zei ze.

Stoneman hield haar de telefoon-alarmkaart voor waarop de klacht aan de achterkant nog eens ondertekend stond vermeld:

‘Heb reden zolder te verdenken; Elm no. 11, Stad.

E.B.’

‘Dat moet mevrouw Blake, die naast mij woont, zijn geweest,’ zei de vrouw, naar de initialen kijkend. ‘Vooruit, mannen, we gaan ze halen!’

Een ogenblik later stonden ze in een duffe duisternis met zilveren bijlen te beuken op deuren die tenslotte toch niet op slot bleken te zitten, erdoorheen duikend als uitgelaten schreeuwende jongens.

‘Hé!’ Een fontein van boeken daalde op Montag neer toen hij huiverend langs de steile draaitrap naar boven klom. Wat vervelend! Alle vorige keren was het als het uitblazen van een kaars geweest. De politie ging eerst naar binnen en plakte de mond van het slachtoffer met kleefband dicht en stopte hem geblinddoekt in een van hun glinsterende torren, zodat je, bij je komst, een leeg huis aantrof. Je deed niemand pijn, je deed enkel dingen pijn! En omdat je dingen in werkelijkheid geen pijn kon doen, omdat dingen niets voelen, en dingen niet gillen of jammeren, zoals deze vrouw zou kunnen gaan gillen en krijsen, was er later niets wat je geweten kon verontrusten. Je hield eenvoudig schoonmaak. Alles netjes op zijn plaats. Vlug de petroleum erover! Wie heeft er een lucifer?

Maar nu, vanavond, was er iets misgegaan. Deze vrouw wierp roet in het eten. De mannen maakten te veel lawaai, lachten en schertsten te luid om haar afschuwelijke beschuldigende stilte beneden te overstemmen. Ze deed de lege kamers beschuldigend weergalmen en schudde een fijn stof van wroeging omlaag dat hun neusgaten opsnoven terwijl ze wild heen en weer bonsden. Het was niet eerlijk, het kwam niet te pas. Montag voelde een grenzeloze ergernis in zich omhoog wellen. Haar aanwezigheid maakte alles nog dubbel verschrikkelijk!

Boeken regenden neer op zijn schouders, zijn armen, zijn omhoog geheven gezicht. Eén boek streek, haast gehoorzaam, als een witte duif, met fladderende vleugels, in zijn handen neer. Een bladzijde hing open in het vage, flikkerende licht en zij was als een pluim van sneeuw, met fijn gepenseelde letters erop. Alles ging zo koortsachtig gejaagd dat Montag maar een ogenblik had om een regel te lezen, doch zij zengde zich in zijn geest alsof zij er met gloeiend metaal was ingeperst. ‘De tijd is ingeslapen in de middagzon.’ Hij liet het boek vallen. Onmiddellijk kwam er weer een in zijn armen terecht.

‘Montag, kom naar boven!’

Montags hand sloot zich als een mond, drukte het boek met een wilde toewijding, met een krankzinnige zorgeloosheid tegen zijn borst. De mannen boven hem slingerden schoppenvol tijdschriften in de stoffige lucht. Ze tuimelden als afgeslachte vogels beneden op de grond neer en de vrouw stond, als een klein meisje, tussen de lijken. Montag had niets gedaan. Zijn hand had het allemaal gedaan, zijn hand, met een eigen brein, met een geweten en een brandende nieuwsgierigheid in elke bevende vinger, was een dief geworden. Nu duwde zij het boek gejaagd terug onder zijn arm, drukte het dicht tegen zijn zwetende oksel aan, zwaaide leeg terug, met het zegevierende gebaar van een tovenaar! Kijk zelf maar! Onschuldig! Kijk maar!

Hij staarde geschokt naar die witte hand. Hij hield haar een eind van zich af, alsof hij verziende was. Hij hield haar vlak voor zijn gezicht, alsof hij blind was. ‘Montag!’

Hij wendde zich met een ruk om.

‘Blijf daar niet staan, idioot!’

De boeken lagen op hopen als grote bergen vis die drogen moesten. De mannen dansten en gleden en vielen erover. Titels glinsterden onder het vallen één kort moment met hun gouden ogen, waren dan verdwenen.

‘Petroleum!’

Ze pompten de kille vloeistof uit de aan riemen op hun rug hangende blikken met het cijfer 451 erop. Ze legden een dunne laag over ieder boek, ze pompten er kamers vol van. Ze haastten zich naar beneden. Montag wankelde hen na door de petroleumdampen. ‘Vooruit, vrouw!’

De vrouw knielde neer tussen de boeken, raakte het doordrenkte leer en karton aan, las de vergulde titels met haar vingers terwijl haar ogen Montag beschuldigden.

‘Jullie kunnen mijn boeken nooit klein krijgen,’ zei ze.

‘Je kent de wet,’ zei Beatty. ‘Gebruik je verstand. Geen van die boeken is het eens met de andere. Je hebt hier jarenlang opgesloten gezeten met een vervloekte Toren van Babel. Maak dat je er tussenuit komt! De mensen in die boeken hebben nooit geleefd. Vooruit nu!’

Ze schudde haar hoofd.

‘Het hele huis gaat eraan,’ zei Beatty.

De mannen liepen met onhandige passen naar de deur. Ze keken over hun schouder naar Montag, die nog bij de vrouw stond.

‘Jullie zijn toch zeker niet van plan haar hier te laten?’ protesteerde hij.

‘Ze wil niet meekomen.’

‘Dwing haar dan.’

Beatty hief zijn hand op waarin hij de aansteker hield verborgen. ‘We moeten terug naar de post. Bovendien proberen die fanatici altijd zelfmoord te plegen; dat heb ik al zo dikwijls meegemaakt.’

Montag legde zijn hand op de elleboog van de vrouw. ‘U kunt met mij meegaan.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Maar niettemin bedankt.’

‘Ik tel tot tien,’ zei Beatty. ‘Eén, twee.’

‘Toe,’ zei Montag.

‘Dring niet verder aan,’ zei de vrouw.

‘Drie, vier.’

‘Kom mee.’ Montag probeerde de vrouw mee te trekken.

De vrouw antwoordde rustig: ‘Ik wil hier blijven.’ ‘Vijf, zes.’

‘Je kunt wel ophouden met tellen,’ zei ze. Ze opende een van haar handen een weinig en er lag een enkel, dun voorwerp in. Een doodgewone keukenlucifer. Bij de aanblik ervan stormden de mannen naar buiten en maakten dat ze uit de buurt van het huis kwamen. Kapitein Beatty, die zijn waardigheid behield, liep langzaam achteruit de voordeur door, zijn roze gelaat glimmend en verweerd door duizend branden en opwindende avonden. Hoe waar is dit!, dacht Montag. Het alarm komt altijd ‘s avonds. Nooit overdag! Komt dat omdat een brand ‘s avonds mooier is? Een rijker schouwspel, een boeiender gezicht? Op het roze gelaat van Beatty, die de deuropening bereikt had, verscheen nu een glimp van angst. De hand van de vrouw klemde de dunne lucifer vast. De petroleumdampen wolkten om haar heen. Montag voelde het verstopte boek als een hart tegen zijn ribben bonzen.

‘Vooruit,’ zei de vrouw, en Montag voelde dat hij langzaam terugdeinsde, de deur uit, Beatty achterna, de stoep af, het grasveld over, waar een streep petroleum over liep als het spoor van een boosaardige slang.

Vanaf de veranda aan de voorzijde, die ze opgestapt was om hen rustig met haar ogen te taxeren, hen met haar kalme stilzwijgen aan te klagen, staarde de vrouw hen roerloos na. Beatty knipte met zijn vingers om de petroleum aan te vonken. Hij was te laat. Montags mond viel hijgend open. De vrouw op de veranda strekte met een diep verachtelijk gebaar haar hand uit en streek de lucifer langs het hek. In de hele straat renden de mensen hun huizen uit.

Ze spraken geen woord op de terugweg. Ze vermeden het elkaar aan te kijken. Montag zat voorin met Beatty en Black. Ze rookten hun pijp zelfs niet. Ze staarden door de voorruit van de grote brandwagen terwijl ze een hoek omsloegen en zwijgend doorreden.

‘Meester Ridley,’ zei Montag eindelijk.

‘Wat?’ zei Beatty.

‘Ze zei: “Meester Ridley”. Ze maakte een of andere krankzinnige opmerking toen we het huis binnenkwamen. “Laat zien dat je een man bent,” zei ze, “Meester Ridley.” Het ging nog verder, maar dat ben ik vergeten.’

‘We zullen, bij de gratie Gods, vandaag zo’n kaars in Engeland aansteken dat het licht ervan nooit meer gedoofd zal worden”,’ zei Beatty. Stoneman keek de kapitein verschrikt aan. Montag eveneens. Beatty streek over zijn kin. ‘Een zekere Latimer heeft dat gezegd tegen een zekere Nicholas Ridley, toen ze in Oxford levend verbrand werden wegens ketterij, op 16 oktober 1555.’

Montag en Stoneman staarden weer naar de straat die onder de wielen van de brandwagen weggleed. ‘Ik zit vol zinnetjes en brokstukjes,’ zei Beatty. ‘De meeste brandcommandanten moeten wel. Soms verbaas ik mijzelf. Kijk uit, Stoneman!’

Stoneman trapte uit alle macht de rem in. ‘Verdomme!’ zei Beatty. ‘Je bent met je suffe kop de straat voorbij gereden die we hadden moeten inslaan om weer bij de post te komen.’

‘Wie is daar?’

‘Wie denk je wel?’ zei Montag, terwijl hij in het duister tegen de gesloten deur leunde.

Zijn vrouw zei eindelijk: ‘Nu, draai het licht aan.’ ‘Ik wil het licht niet aan hebben.’

‘Kom naar bed.’

Hij hoorde hoe ze zich ongeduldig omdraaide; de beddeveren piepten.

‘Ben je dronken?’ zei ze.

Het was dus de hand die het allemaal had ingeluid. Hij voelde hoe eerst zijn ene hand en dan de andere zijn jas losmaakten en hem op de vloer lieten glijden. Hij hield zijn broek boven een afgrond en liet hem de duisternis intuimelen. Zijn handen waren geïnfecteerd, en zijn armen zouden het weldra ook zijn. Hij voelde hoe het gif langs zijn polsen omhoog kroop in zijn ellebogen en zijn schouders, en hoe het van het ene schouderblad naar het andere sprong, als een vonk tussen twee polen. Zijn handen beefden van vraatzucht. En zijn ogen begonnen zich hongerig te voelen, alsof ze ergens naar moesten kijken, het gaf niet naar wat, als ze maar kijken konden.

Zijn vrouw zei: ‘Wat sta je in hemelsnaam te doen?’ Hij hield zich in evenwicht in de ruimte met het boek in zijn zwetende, koude vingers.

Een minuut later zei ze: ‘Toe, blijf daar niet zo midden in de kamer staan.’

Hij maakte een zwak geluid

‘Wat?’ zei ze.

Hij maakte meer zachte geluiden. Hij liep struikelend naar het bed en schoof het boek onhandig onder het koude kussen. Hij liet zich in bed vallen en zijn vrouw slaakte een verschrikte kreet. Hij lag helemaal aan het andere eind van de kamer, op een winters eiland, door een lege zee van haar gescheiden. Ze praatte tegen hem – een hele tijd, leek het hem toe – en ze praatte over dit en ze praatte over dat en hij hoorde enkel maar woorden, als de woorden die hij eenmaal bij een vriend thuis in de kinderkamer had gehoord, waar een kindje van twee haar eigen experimentele taaltje had gebrabbeld. Maar Montag zei niets en na een hele tijd, toen hij enkel zwakke geluiden bleef maken, voelde hij dat ze de kamer doorliep en bij zijn bed kwam staan en zich over hem heen boog en haar hand op zijn wang legde om te voelen of hij koorts had. Hij wist dat haar hand, toen zij die van zijn gelaat wegnam, vochtig was.

Veel later keek hij naar Mildreds bed. Ze was wakker. Er klonk een zachte, huppelende melodie: ze had haar Zeeschelp weer in haar oor gestopt en luisterde naar vreemde mensen in vreemde oorden, terwijl ze met wijd open ogen de diepe duisternis boven haar instaarde.

Was er niet een oude mop over een vrouw die zoveel telefoongesprekken voerde dat haar wanhopige man naar de dichtstbijzijnde winkel rende om haar op te bellen en te vragen wat ze die dag aten? Welnu, waarom kocht hij niet een audio Zeeschelp zendstation en praatte, prevelde, fluisterde, gilde, schreeuwde, krijste hij niet in het holst van de nacht tegen zijn vrouw? Maar wat moest hij fluisteren, wat moest hij krijsen? Wat kon hij zeggen?

En plotseling kwam ze hem zo vreemd voor dat hij niet geloven kon dat hij haar ooit eerder had gezien. Hij was in een andermans huis, als in die andere moppen die je wel hoorde vertellen over een heer die ‘s avonds dronken thuiskomt, de verkeerde deur opendoet, de verkeerde kamer binnengaat, bij een vreemde vrouw slaapt en ‘s morgens weer vroeg opstaat en naar zijn werk gaat, zonder dat een van beiden de vergissing heeft bemerkt.

‘Millie…?’ fluisterde hij.

‘Wat?’

‘Neem me niet kwalijk als ik je aan het schrikken maakte. Wat ik zou willen weten is…’

‘Nu?’

‘Wanneer hebben wij elkaar ontmoet? En waar?’ ‘Wanneer we elkaar waarvoor ontmoet hebben?’ vroeg ze.

‘Ik bedoel – voor de eerste keer.’

Hij wist dat ze in het duister haar voorhoofd fronste. Hij verduidelijkte zijn vraag. ‘Waar, en wanneer, hebben wij elkaar voor het eerst ontmoet?’

‘Nu, dat was bij -’

Ze maakte haar zin niet af.

‘Ik weet het niet,’ zei ze.

Hij had het koud. ‘Kun je het je niet herinneren?’ ‘Het is al zolang geleden.’

‘Nog maar tien jaar, meer niet, nog maar tien jaar!’ ‘Wind je niet op, ik probeer na te denken.’

Ze lachte vreemd schril. ‘Gek hè, wat gek dat je je niet herinneren kunt waar of wanneer je je man of je vrouw hebt ontmoet.’

Hij lag langzaam zijn oogleden, zijn voorhoofd en zijn nek te masseren. Hij legde zijn beide handen op zijn ogen en drukte er onafgebroken op alsof hij de herinnering weer terugpersen wilde. Het kwam hem plotseling belangrijker voor dan wat ook in zijn hele leven om te weten waar hij Mildred ontmoet had.

‘Het komt er niet op aan.’ Ze was haar bed uit, stond nu in de badkamer en hij hoorde de kraan lopen en het slikkende geluid dat ze maakte.

‘Nee, vermoedelijk niet,’ zei hij.

Hij trachtte te tellen hoeveel keer ze slikte en hij dacht aan het bezoek van de twee mannen met de zinkoxide gezichten en de dunne, rechte lippen waar een sigaret tussen hing en de Slang met het Elektronische Oog die zich in de ene laag nacht en steen en stilstaand bronwater na de andere kronkelde, en hij wilde haar toeschreeuwen: hoeveel heb je er vannacht genomen! hoeveel capsules! hoeveel zul je er later nemen zonder het te beseffen? enzovoort, ieder uur! of misschien niet vannacht, maar morgennacht! En ik die vannacht en morgennacht en de nacht daarop en daarop – wie weet hoelang – niet zal slapen nu dit is begonnen.

En hij dacht aan haar zoals ze op bed had gelegen met de twee technici naast haar, niet bezorgd over haar heen gebogen, maar onverschillig rechtop staand, met over elkaar gevouwen armen. En hij herinnerde zich dat hij had gedacht, dat hij stellig niet huilen zou als ze toen was gestorven. Want het zou zijn geweest alsof er een onbekende gestorven was, iemand die hij op straat had gezien, op een krantenfoto, en eensklaps had het hem allemaal zo toegeschenen dat hij toch was gaan huilen, niet om de dood, maar bij de gedachte dat hij niet huilen zou als zij stierf, een dwaze lege man aan het bed van een dwaze lege vrouw, terwijl de hongerige slang haar nog leger maakte.

Hoe word je zo leeg? vroeg hij zich af. Wie zuigt het uit je weg? En die afschuwelijke bloem, een paar dagen geleden, die paardenbloem? Die had alles samengevat, niet? ‘Wat erg! U houdt van niemand!’ En waarom niet?

Welnu, als je het op de keper beschouwde, stond er dan geen muur tussen hem en Mildred? In letterlijke zin niet slechts één muur, doch, tot dusver, drie! En kostbare muren ook! En de ooms, de tantes, de nichten, de neven, die in die muren woonden, het kakelende stel apen dat niets, niets, niets te zeggen had en het luidkeels, luidkeels, luidkeels zei. Vanaf het begin had hij net gedaan alsof het familieleden waren. ‘Hoe maakt oom Louis het vandaag?’ ‘Wie?’ ‘En tante Maude?’ De veelzeggendste herinnering die hij aan Mildred had, was van een klein meisje in een bos zonder bomen (hoe vreemd!) of liever van een meisje dat verdwaald was op een hoogvlakte waar vroeger bomen waren geweest (je kon de herinnering aan hun vormen overal om je heen voelen) dat middenin de ‘huiskamer’ zat. De huiskamer: hoe toepasselijk was dat woord nu geworden. Het gaf niet wanneer hij er binnenkwam, altijd huisden er vreemden in de muren die druk tegen Mildred zaten te praten.

‘Er moet iets gebeuren!’

‘Ja, er moet iets gebeuren!’

‘Nu, laten we dan niet blijven staan kletsen!’ ‘Laten we wat doen!’

‘Ik ben zo nijdig dat ik wel zou kunnen spuwen!’ Waar ging het allemaal over? Mildred kon het hem niet vertellen. Wie was nijdig op wie? Mildred wist het niet precies. Wat waren ze van plan te doen? Welnu, zei Mildred, ga zitten om het eens aan te kijken.

Hij was ook gaan zitten om het eens aan te kijken. Een onweersbui van geluid stroomde uit de muren. Hij werd met zo’n onmetelijk geweld gebombardeerd door muziek dat zijn beenderen haast van hun pezen geschokt werden; hij voelde zijn kaken trillen, zijn ogen rammelen in zijn hoofd; het was hem of hij een zware hersenschudding moest hebben gekregen. Toen het allemaal voorbij was, voelde hij zich als een man die men van een rots had afgesmeten, door een centrifuge gedraaid en een waterval ingeslingerd die vallen bleef, vallen bleef in een steeds diepere leegte, waaraan nooit – een – eind – kwam – nee nooit – een – eind – kwam… en je viel zo snel dat je de rotswanden ook nooit aanraakte… nooit… raakte… je… ook… maar… iets aan.

De donder stierf weg. De muziek zweeg.

‘Kijk,’ zei Mildred.

En het was inderdaad merkwaardig. Er was iets gebeurd. Ofschoon de mensen in de muren van de kamer zich nauwelijks hadden bewogen en er feitelijk geen enkel besluit was gevallen had je de indruk dat iemand een wasmachine had aangezet of je had opgezogen in een reusachtige stofzuiger. Je verdronk in muziek en een zee van dissonanten. Hij stapte zwetend en een instorting nabij de kamer uit. Achter hem zat Mildred nog steeds in haar stoel en de stemmen praatten verder.

‘Afijn, alles komt nu in orde,’ zei een ‘tante’.

‘O, wees daar nog maar niet te zeker van,’ zei een ‘nicht’.

‘Word nu niet boos!’

‘Wie is er boos?’

‘Jij!’

‘Ik?’

’Je bent woedend!’

‘Waarom zou ik woedend zijn?’

‘Daarom!’

‘Dat is allemaal goed en wel,’ riep Montag, ‘maar waarover zijn ze woedend? Wie zijn die mensen? Wie is die man en wie is die vrouw? Zijn ze getrouwd, zijn ze gescheiden, verloofd, of wat anders? O, het blijft allemaal even vaag en onduidelijk.’

‘Ze -’ zei Mildred. ‘Nu, ze – ze hebben die ruzie gehad, snap je. Ze maken geweldig veel ruzie. Je moet beter luisteren. Ik denk dat ze getrouwd zijn. Ja, ze zijn getrouwd. Waarom?’

En als het niet de drie wanden waren die er spoedig vier zouden worden om de droom compleet te maken, dan was het de open auto, waarin Mildred met een vaart van honderd zestig kilometer door de stad reed, terwijl hij tegen haar zat te schreeuwen en zij terugschreeuwde en ze allebei trachtten te horen wat ze zeiden, doch enkel het gierende lawaai van de auto hoorden. ‘Houd tenminste de minimumsnelheid aan!’ krijste hij. ‘Wat?’ riep ze. ‘Rijd niet harder dan negentig, de minimumsnelheid!’ schreeuwde hij. ‘De wat?’ krijste ze. ‘Minimumsnelheid!’ schreeuwde hij. En ze drukte het gaspedaal in tot ze honderd zeventig reden en de adem hem afgesneden werd. Wanneer ze uit de auto stapten zaten de Zeeschelpen in haar oren gedrukt.

Stilte. Alleen het zachte geruis van de wind.

‘Mildred.’ Hij ging overeind zitten.

Hij boog zich over haar bed en trok het kleine muziekinsect uit haar oor. ‘Mildred, Mildred?’

‘Ja.’ Haar stem klonk zwak als van veraf.

Hij had het gevoel dat hij zelf een van die wezens op de TV-wand was, wanhopig pratend, doch zonder dat zijn stem door de kristallen barrière heendrong. Hij kon enkel gebaren, in de hoop dat ze zijn kant uit zou kijken en hem zou zien. Ze konden iemand niet door het glas heen aanraken.

‘Mildred, je weet wel, dat meisje waarover ik je verteld heb?’

‘Welk meisje?’ Ze was half in slaap.

‘Het meisje naast ons.’

‘Welk meisje naast ons?’

‘Je weet wel, dat meisje dat op het lyceum is. Clarisse heet ze.’

‘O, ja,’ zei zijn vrouw.

‘Ik heb haar al in een paar dagen niet gezien – in vier dagen niet, om precies te zijn. Heb jij haar gezien?’ ‘Nee.’

‘Ik had over haar willen praten met je. Vreemd.’ ‘O, ik weet wel wie je bedoelt.’

‘Dat dacht ik wel.’

‘Die,’ zei Mildred in de donkere kamer.

‘Wat is er met haar?’ vroeg Montag.

‘Ik had het je willen vertellen. Ben het vergeten. Vergeten.’

‘Vertel het me nu dan. Wat is er met haar?’ ‘Ik geloof dat ze weg is.’

‘Weg?’

‘De hele familie is verhuisd. Maar zij is voorgoed weg. Ik geloof dat ze dood is.’

‘Je moet een ander meisje bedoelen.’

‘Nee. Hetzelfde meisje. McClellan. McClellan. Overreden door een auto. Vier dagen geleden. Ik ben er niet zeker van. Maar ik geloof dat ze dood is. Familie trouwens verhuisd. Ik weet het niet. Maar ik geloof dat ze dood is.’

‘Je weet het niet zeker!’

‘Nee, niet zeker. Maar zo goed als.’

‘Waarom heb je het me niet eerder verteld?’ ‘Vergeten.’

‘Vier dagen geleden!’

‘Helemaal vergeten.’

‘Vier dagen geleden,’ zei hij rustig, op zijn bed liggend

Ze lagen naast elkaar in de donkere kamer, onbeweeglijk, allebei. ‘Welterusten,’ zei ze.

Hij hoorde een zacht geruis. Haar handen bewogen. De elektrische vingerhoed bewoog als een bidsprinkhaan op het kussen, aangeraakt door haar hand. Nu gonsde hij in haar oor.

Hij luisterde en zijn vrouw lag binnensmonds te zingen.

Buiten bewoog een schaduw, een windstoot vlaagde langs het huis. Maar hij hoorde nog iets anders in de stilte. Het was als het geluid van een ademhaling tegen het venster. Het was als het geluid van een ijle pluim groene, lichtende rook, het geritsel van een enkel reusachtig oktoberblad dat over het grasveld werd weggeblazen.

De Hond, dacht hij. Hij is buiten vannacht. Hij is hier, voor het huis. Als ik het raam opendeed…

Hij deed het raam niet open.

De volgende ochtend had hij koorts en koude rillingen.

‘Het bestaat niet dat je ziek bent,’ zei Mildred. Hij sloot zijn brandende ogen. ‘Ja.’

‘Maar gisteravond mankeerde je nog niets!’

‘Nee, toen voelde ik me al niet goed.’ Hij hoorde de ‘familieleden’ schreeuwen in de salon.

Mildred bleef verwonderd bij zijn bed staan. Hij voelde haar naast zich, hij zag haar zonder zijn ogen te openen, haar door chemicaliën tot broos stro verzengd haar, haar ogen waarin ver achter de pupillen een soort waterval neer ruisen bleef, die men niet zag, doch bevroedde, haar roodgeverfde, pruilende lippen, haar lichaam, mager als van een bidsprinkhaan door het dieet dat ze hield, en haar bleke vlees als wit spek. Hij kon zich niet herinneren dat hij haar ooit anders had gekend.

‘Wil je me aspirine en water brengen?’

‘Je moet opstaan,’ zei ze. ‘Het is twaalf uur. Je hebt vijf uur langer geslapen dan anders.’

‘Wil je de salon afzetten?’ vroeg hij.

‘Dat is mijn familie.’

‘Wil je hem voor een zieke man afzetten?’

‘Ik zal hem zachter zetten.’

Ze liep de kamer uit en deed niets aan de salon en kwam terug. ‘Zo beter?’

‘Dank je.’

‘Dat is mijn favoriete programma,’ zei ze.

‘Waar blijft de aspirine?’

‘Je bent nog nooit eerder ziek geweest.’ Ze ging weer weg.

‘Wel, ik ben nu ziek. Ik ga vandaag niet naar mijn werk. Bel Beatty voor me op.’

‘Je hebt vreemd gedaan vannacht.’ Ze keerde neuriënd terug.

‘Waar is de aspirine?’ Hij keek naar het waterglas dat ze hem gaf.

‘O.’ Ze liep weer naar de badkamer. ‘Is er iets gebeurd?’

‘Een brand, dat is alles.’

‘Ik heb een gezellige avond gehad,’ zei ze in de badkamer.

‘Wat heb je gedaan?’

‘De salon.’

‘Wat werd er gegeven?’

‘Programma’s.’

‘Wat voor programma’s?’

‘Een paar van de allerfijnste.’

‘Wie?’

‘O, je weet wel, het gewone stel.’

‘Ja, het gewone stel, het gewone stel, het gewone stel.’ Hij drukte op zijn pijnlijke ogen en plotseling deed de geur van petroleum hem overgeven. Mildred kwam neuriënd binnen. Ze keek verbaasd. ‘Waarom heb je dat gedaan?’

Hij staarde onthutst naar de vloer. ‘We hebben een oude vrouw verbrand met haar boeken.’

‘Het is maar gelukkig dat het kleed afwasbaar is.’ Ze haalde een doek en begon het schoon te vegen. ‘Ik ben gisteravond bij Helen geweest.’

‘Kon je de programma’s niet in je eigen salon krijgen?’

‘Zeker, maar het is gezellig om eens op bezoek te gaan.’

Ze liep de salon weer in. Hij hoorde haar zingen. ‘Mildred?’ riep hij.

Ze keerde zingend terug, zachtjes met haar vingers knippend.

‘Heb je me verder helemaal niets meer te vragen over gisteravond?’ zei hij.

‘Wat was er dan?’

‘We hebben duizend boeken verbrand. We hebben een vrouw verbrand.’

‘Nu?’

In de salon explodeerden geluiden.

‘We hebben exemplaren van Dante en Swift en Marcus Aurelius verbrand.’

‘Was dat geen Europeaan?’

‘Zoiets, ja.’

‘Was hij geen radicaal?’

‘Ik heb hem nooit gelezen.’

‘Hij was een radicaal.’ Mildreds handen speelden met de telefoon. ‘Je denkt toch zeker niet dat ik kapitein Beatty zal opbellen, is het wel?’

‘Je moet.’

‘Schreeuw niet zo.’

‘Ik schreeuwde niet.’ Hij veerde plotseling schokkend van woede, met een hoogrode kleur, overeind in bed. De salon brulde en bulderde. ‘Ik kan hem zelf niet opbellen. Ik kan niet tegen hem zeggen dat ik ziek ben.’

‘Waarom niet?’

Omdat je bang bent, dacht hij. Een kind dat zich ziek hield, dat bang was op te bellen omdat na enkele vragen en antwoorden het gesprek als volgt zou eindigen: ‘Ja, kapitein. Ik voel me al beter. Ik zal zorgen dat ik om tien uur present ben.’

‘Je bent niet ziek,’ zei Mildred.

Montag liet zich achterover zinken. Hij tastte onder zijn kussen. Het boek dat hij er verstopt had lag er nog steeds.

‘Mildred, wat zou je ervan denken als ik, welnu, als ik mijn baan misschien eens een tijdje opgaf?’

‘Je wilt alles laten schieten? Na al die jaren gewerkt te hebben, omdat toevallig op een avond een of andere vrouw en haar boeken -’

‘Je had haar moeten zien, Millie!’

‘Ik heb niets met haar te maken; ze hoorde geen boeken te hebben. Ze wist wat ze riskeerde, het was helemaal haar eigen schuld. Ik haat haar. Ze heeft jou overstuur gemaakt en voor we het weten staan we dadelijk op straat, hebben we geen huis, geen baan meer, niets.’

‘Jij bent er niet bij geweest, jij hebt het niet gezien,’ zei hij. ‘Boeken moeten iets hebben, iets wat wij ons niet voorstellen kunnen, dat een vrouw ervoor in een brandend huis blijft; ze moeten iets hebben. Je blijft er niet voor niets bij.’

‘Ze was gek.’

‘Ze had net zoveel verstand als jij en ik, nog wel meer misschien, en wij hebben haar verbrand.’

‘Iets anders schijn je niet te kunnen zeggen.’

‘Het was ook afschuwelijk. Heb je wel eens een afgebrand huis gezien? Het blijft nog dagenlang smeulen. Welnu, deze brand zal de verdere rest van mijn leven in mij blijven nasmeulen. Bah! Ik heb de hele nacht geprobeerd om hem in mijn hersenen te blussen. Ik ben er half gek van.’

‘Dat had je moeten bedenken voor je brandman werd.’

‘Moeten bedenken!’ zei hij. ‘Hebben ze mij de keus gelaten? Mijn grootvader en mijn vader zijn brandlieden geweest. In mijn slaap draafde ik achter hen aan.’ De salon speelde een dansnummer.

‘Vandaag heb je vroege dienst,’ zei Mildred. ‘Je had al twee uur geleden moeten beginnen. Ik heb het net gezien.’

‘Het is niet enkel de vrouw die gestorven is,’ zei Montag. ‘Vannacht heb ik liggen denken aan al de petroleum die ik in de afgelopen tien jaar heb gebruikt. En ik heb aan boeken liggen denken. En voor het eerst heb ik beseft dat achter elk van die boeken een mens moet hebben gestaan. Een mens heeft ze moeten bedenken. Een mens heeft een hele tijd nodig gehad om ze op papier te zetten. En daar had ik zelfs nog nooit eerder aan gedacht.’ Hij stapte uit bed.

‘De een of andere mens heeft er misschien zijn hele leven aan besteed om sommige van zijn gedachten neer te schrijven, die de wereld en het leven hem ingaven en dan verschijn ik op het toneel en boem! twee minuten later is het allemaal weggevaagd!’

‘Laat mij met rust,’ zei Mildred. ‘Ik heb niets gedaan.’

‘Jou met rust laten! Dat is allemaal goed en wel, maar hoe kan ik mezelf met rust laten? We moeten niet met rust gelaten worden. We moeten af en toe ons hoofd ergens over breken. Hoe lang is het geleden sedert jij je hoofd ergens over gebroken hebt? Over iets belangrijks, bedoel ik, over iets echts?’

En toen zweeg hij, want hij herinnerde zich de afgelopen week weer en de twee witte stenen die naar de zoldering staarden en de pompslang met het doordringende oog en de twee mannen met zeepgezichten wier sigaretten, terwijl zij praatten, tussen hun dunne, rechte lippen op en neer bewogen. Maar dat was een andere Mildred geweest, dat was een Mildred die zo diep in deze Mildred schuilging en zich dusdanig het hoofd brak, zich zo gekweld voelde, dat de twee vrouwen elkaar nimmer hadden ontmoet. Hij wendde zijn gelaat af.

Mildred zei: ‘Daar heb je de poppen al aan het dansen. Voor het huis. Kijk eens wie daar is.’

‘Het kan me niet schelen.’

‘Er is net een Fenikswagen aan komen rijden en een man in een zwart overhemd met een oranje slang op zijn mouw komt naar de voordeur toe.’

‘Kapitein Beatty?’ zei hij.

‘Kapitein Beatty.’

Montag verroerde zich niet, maar bleef naar de koele witte muur vlak voor hem staren.

‘Laat hem binnen, wil je? Zeg tegen hem dat ik ziek ben.’

‘Zeg het hem zelf!’ Ze draafde onrustig heen en weer en bleef dan, met wijd open ogen staan, toen de stem in de voordeur zachtjes, zachtjes haar naam riep: ‘Mevrouw Montag, mevrouw Montag, er is iemand, er is iemand, mevrouw Montag, er is iemand.’ De stem stierf weg.

Montag vergewiste zich ervan dat het boek goed verborgen lag onder het kussen, klom langzaam weer in bed, trok half zittend de dekens over zijn knieën en over zijn borst en na een poosje liep Mildred schoorvoetend de kamer uit en stapte kapitein Beatty binnen, zijn handen in zijn zakken gestoken.

‘Laat de “familieleden” hun mond houden,’ zei Beatty, alles om zich heen opnemend, alleen niet naar Montag en zijn vrouw kijkend.

Ditmaal rende Mildred weg. De jammerende stemmen in de salon hielden op met gillen.

Kapitein Beatty nam plaats in de gemakkelijkste stoel met een vreedzame uitdrukking op zijn rode gelaat. Hij stopte op zijn gemak zijn koperen pijp, stak hem op en blies langzaam een dikke rookwolk uit. ‘Ik kwam eens eventjes kijken hoe het met de zieke is.’ ‘Hoe hebt u het zo geraden?’

Beatty glimlachte waarbij hij zijn suikergoedroze tandvlees en zijn kleine suikergoedwitte tanden liet zien. ‘Ik heb het allemaal zien aankomen. Je was van plan om een vrije avond te vragen.’

Montag ging rechtop in bed zitten.

‘Welnu,’ zei Beatty, ‘neem een vrije avond!’ Hij tuurde strak naar zijn eeuwigdurend luciferdoosje, op het deksel waarvan stond: Wij garanderen dat deze aansteker een miljoen maal gebruikt kan worden en begon de chemische lucifer verstrooid aan te strijken, uit te blazen, aan te strijken. Hij sprak een paar woorden, blies hem weer uit. Hij keek naar de vlam. Hij blies, keek naar de rook. ‘Wanneer ben je weer beter, denk je?’ ‘Morgen. Overmorgen misschien. Of misschien begin volgende week.’

Beatty trok aan zijn pijp. ‘Dit overkomt iedere brandman, vroeg of laat. Ze moeten enkel leren begrijpen hoe de vork in de steel zit. De geschiedenis van ons beroep leren kennen. Die brengen ze nieuwelingen niet meer bij, zoals vroeger. Verdomd jammer.’ Rookwolk. ‘Alleen brandcommandanten zijn er nog mee op de hoogte.’ Rookwolk. ‘Ik zal het eens voor je uit de doeken doen.’

Mildred schoof zenuwachtig op haar stoel heen en weer. Beatty nam een volle minuut de tijd om er nog eens extra gemakkelijk voor te gaan zitten en te bedenken wat hij wilde zeggen.

‘Wanneer is het allemaal begonnen, vraag je, deze baan van ons, wat heeft ertoe geleid, waar, wanneer?

Welnu, volgens mij is het feitelijk begonnen tijdens wat ze de Burgeroorlog noemden. Ook al beweren onze voorschriften dat het van nog vroeger dateert. Maar we zijn pas goed op streek geraakt toen de fotografie burgerrecht begon te krijgen. Daarna – in het begin van de Twintigste Eeuw, films. Radio. Televisie. Dingen die op de grote massa steunen.’

Montag zat onbeweeglijk rechtop.

‘En omdat ze het van de grote massa moesten hebben, werden ze eenvoudiger,’ zei Beatty. ‘Boeken, destijds, spraken tot een handjevol verspreide mensen. Zij konden het zich veroorloven van het gemiddelde af te wijken. De wereld was nog ruim. Maar toen raakte de wereld vol ogen en ellebogen en monden. De bevolking werd verdubbeld, verdrievoudigd, verviervoudigd. Films en radio’s, tijdschriften, boeken, verwaterden tot een soort griesmeelpudding- norm. Kun je me volgen?’

‘Ik geloof het wel.’

Beatty tuurde naar het abstracte rookschilderij dat hij de lucht had ingeblazen. ‘Stel het je eens voor. De negentiende-eeuwse mens met zijn paarden, honden, karren, alles even gezapig. Dan, in de Twintigste Eeuw, wordt het tempo opgevoerd. Boeken bekort en samengevat. Compendiums. Beknopte nieuwsbladen. Het enige waar het op aankomt is de pointe, de snelle ontknoping.’

‘Snelle ontknoping,’ knikte Mildred.

‘Klassieke boeken bekort tot radioprogramma’s van een kwartier, daarna nog eens bekort tot een enkele kolom in een digest, om ten slotte te eindigen als een samenvatting van tien of twaalf regels in een encyclopedie. Ik overdrijf natuurlijk. De encyclopedieën waren als naslagwerken bedoeld. Maar er waren een heleboel mensen wier enige kennis van Hamlet (jij kent de titel stellig, Montag; u hebt hem waarschijnlijk alleen maar eens vaag horen noemen, mevrouw Montag), wier kennis van Hamlet, zei ik, bestond uit hetgeen ze erover gelezen hadden in een samenvatting van één bladzijde in een boek dat beweerde: nu kunt u eindelijk alle klassieken lezen; nu hoeft u niet langer voor uw buren onder te doen. Begrijp je het? Van de kinderkamer naar de universiteit en weer terug naar de kinderkamer; daar heb je het intellectuele patroon van de laatste vijf eeuwen of nog langer.’

Mildred stond op en begon door de kamer te ijsberen, hier en daar iets oppakkend en weer neerzettend. Beatty negeerde haar en vervolgde:

‘Versnel het tempo van de film, Montag, vlug. Klip, Hup, Kijk, Oog, Nu, Knip, Hier, Daar, Gauw, Vlugger, Op, Neer, In, Uit, Waarom, Hoe, Wat, Waar, Hè? Hé? Pats! Beng! Floep! Allé! Hatsjee! Boem! Compendiums van compendiums, compendiums van compendiums van compendiums. Politiek? Eén kolom, twee zinnen, een kop! Dan, weg ermee! Wervel de geest van de mens zo snel in het rond onder de pompeuze handen van uitgevers, uitbuiters, omroepers, dat de centrifuge alle onnodige tijd verspillende gedachten er uitwerpt!’

Mildred streek de dekens glad. Montag voelde zijn hart wild bonzen in zijn borst toen ze de plooien uit zijn kussen klopte. Nu trok ze aan zijn schouder om hem iets naar voren te krijgen opdat ze het kussen van het bed nemen kon en netjes opschudden en weer op zijn plaats leggen. En misschien een verschrikte uitroep slaken en grote ogen opzetten of enkel haar hand uitsteken en zeggen: ‘Wat is dit?’ en het verborgen boek met een roerende onschuld omhooghouden.

‘Schooltijden worden bekort, tucht maakt plaats voor vrijheid, wijsbegeerte, geschiedenis, talen worden van het lesrooster afgevoerd, correct lezen en schrijven heel geleidelijk verwaarloosd, tot er ten slotte nauwelijks meer naar omgekeken wordt. Het leven is hier en nu, je baantje is belangrijk, als je klaar bent met werken kun je nog lol genoeg hebben. Waarom iets anders leren dan knoppen indrukken, handels overhalen, een moer aan een schroefbout bevestigen?’

‘Laat me je kussen even opschudden,’ zei Mildred. ‘Nee!’ fluisterde Montag.

‘In plaats van knopen komt er een ritssluiting en een man mist juist weer dat korte ogenblikje om na te denken terwijl hij zich staat aan te kleden ‘s morgens vroeg, echt een uur voor overpeinzingen, en daarom een droefgeestig uur.’

Mildred zei: ‘Toe nou.’

‘Ga weg,’ zei Montag.

‘Het hele leven wordt één groot gejaag en gejacht, Montag; alles hop, hup en hoep.’

‘Hoep,’ zei Mildred, aan het kussen rukkend.

‘In vredesnaam, laat me met rust!’ riep Montag hartstochtelijk.

Beatty keek hem met grote ogen aan.

Mildreds hand was verstijfd achter het kussen. Haar vingers tastten over het boek en toen het tot haar doordrong wat het was kwam er eerst een verbaasde en daarna een verbijsterde uitdrukking op haar gelaat. Ze opende haar mond om een vraag te stellen… ‘Gooi iedereen uit de schouwburgen op de clowns na en geef de kamers glazen muren en laat er mooie kleurtjes over de muren dwarrelen als confetti of bloed of sherry of sauterne. Jij houdt van honkbal, is het niet, Montag?’

‘Honkbal is een mooi spel.’

Beatty was nu bijna onzichtbaar, een stem ergens achter een rookgordijn.

‘Wat is dit?’ vroeg Mildred, haast verrukt. Montag liet zich achterover zinken tegen haar armen. ‘Wat is dit hier?’

‘Ga zitten!’ schreeuwde Montag. Ze sprong schichtig bij hem vandaan, met lege handen. ‘We zijn aan het praten!’

Beatty ging door alsof er niets gebeurd was. ‘Je houdt van kegelen, is het niet, Montag?’

‘Van kegelen, ja.’

‘En van golf?’

‘Golf is een mooi spel.’

‘Basketbal?’

‘Een mooi spel.’

‘Biljarten, kaarten? Voetbal?’

‘Allemaal mooie spelen.’

‘Meer sporten voor iedereen, saamhorigheidsgeest, plezier en je hoeft niet meer te denken, hè? Organiseer en organiseer en super-organiseer super-super-sportwedstrijden. Meer cartoons in boeken. Meer plaatjes. De geest drinkt hoe langer hoe minder. Ongeduld. Wegen vol mensenmassa’s die ergens, ergens, ergens, nergens naartoe gaan. De vlucht in de benzine. Steden worden motels, mensen zwerven in horden van de ene plaats naar de andere, de getijden van de maan volgend, vannacht slapend in de kamer waar jij vanmiddag geslapen hebt en ik gisteravond.’ Mildred ging de kamer uit en deed de deur met een klap achter zich dicht. In de salon begonnen de ‘tantes’ te lachen tegen de ‘ooms’.

‘Laten we nu de minderheden in onze beschaving eens even bekijken, zullen we? Hoe groter de bevolking, hoe meer minderheden. Trap niet op de tenen van de hondenvrienden, de kattenvrienden, doktoren, advocaten, kooplieden, directeuren, mormonen, baptisten, unitariërs, lieden wier ouders Chinezen, Zweden, Italianen, Duitsers, Ieren, inwoners van Texas, van Brooklyn, lieden uit Oregon, uit Mexico waren. Alle figuren uit dit boek, dit toneelstuk, dit televisiespel zijn volkomen denkbeeldig en iedere mogelijke gelijkenis met bestaande schilders, cartografen, werktuigkundigen, berust louter op toeval. Hoe groter je markt, Montag, hoe minder je in twistappels handelt, bedenk dat! Alle minder dan kleine minderheden waar vooral geen smetje op geworpen mag worden. Schrijvers, vol verdorven gedachten, zet de kap maar voorgoed op jullie schrijfmachine. En dat hebben ze gedaan. Tijdschriften werden brave schaaltjes vanillevla. Boeken, zeiden de vervloekte snobistische critici, waren afwaswater. Geen wonder dat er geen boeken meer werden verkocht, zeiden de critici. Maar het publiek, dat wist wat het wilde, liet, vrolijk rondtollend, de strips voortbestaan. En de driedimensionale prikkelbladen natuurlijk. Zo liggen de zaken, Montag. Het is niet uitgegaan van de regering. Er is in het begin geen dwang opgelegd, geen censuur geweest, nee! Technologie, massa-uitbuiting en de druk die de minderheden uitoefenden hebben het klaargespeeld. Gelukkig! Dank zij die kun je vandaag de dag altijd gelukkig zijn, mag je de strips lezen, de goede, oude verhalen over het intieme leven van film- en TV-sterren, of vakbladen.’ ’Ja, maar hoe zit het dan met de brandlieden?’ vroeg Montag.

‘O.’ Beatty leunde voorover door de flauwe nevel van rook uit zijn pijp. ‘Dat vloeit helemaal uit het voorafgaande voort. Toen de scholen steeds meer hardlopers, verspringers, roeiers, prutsers, hebbers, pikkers, grissers, vliegers en zwemmers op de maatschappij loslieten in plaats van denkers, critici, geleerden en scheppende geesten, werd het woord “intellectueel” natuurlijk het scheldwoord dat het ook verdient te zijn. Je koestert altijd vrees voor het ongewone. Je herinnert je toch zeker nog wel uit je eigen schooltijd de jongen die bijzonder “knap” was en altijd een antwoord klaar had terwijl de anderen erbij zaten als even zovele ledenpoppen, en hem haatten. En was het niet die knappe jongen die na schooltijd door iedereen werd geslagen en gepest? Natuurlijk.

We moeten allemaal gelijk zijn. Niet allemaal vrij en gelijk op grond van ons geboorterecht, zoals het in de Grondwet staat, maar we kunnen allemaal gelijk worden gemaakt. Ieder mens precies eender als alle anderen; dan zijn ze allemaal gelukkig, want dan zijn er geen toppen waar ze tegenop moeten zien, waar ze zichzelf naar moeten beoordelen. Daarom! Een boek is een geladen geweer in het huis van je buurman. Verbrand het. Haal de kogels uit het wapen. Sla een bres in de menselijke geest. Wie weet wie niet het doelwit zou kunnen worden van een belezen mens! Ik? Ik zou hem nog geen halve minuut dulden. En toen alle huizen, op heel de wereld, dus eindelijk volkomen vuurvast gemaakt waren (je vermoeden was juist laatst), kwam de oude taak van brandlieden te vervallen. Ze kregen een nieuwe baan, als behoeders van onze geestesrust, als symbolen van onze begrijpelijke en gerechtvaardigde vrees minder dan een ander te zijn, als officiële censors, rechters en strafvoltrekkers. Dat ben jij, Montag, en dat ben ik.’

De deur van de salon ging open en Mildred staarde de kamer in en keek hen aan, keek eerst Beatty aan en dan Montag. Achter haar stegen op de muren van het vertrek sissend zwermen groene en gele en oranje stukken vuurwerk op die uit elkaar knalden op de wijs van een of andere muziek die vrijwel uitsluitend uit tromgeroffel en bekkengerinkel bestond. Haar mond bewoog en ze zei iets, doch het werd door het lawaai overstemd.

Beatty klopte zijn pijp uit in de palm van zijn roze hand, en bestudeerde de as alsof zij een symbool was dat gepeild en op zijn betekenis onderzocht moest worden.

‘Je moet begrijpen dat onze beschaving zo onmetelijk is dat we onze minderheden niet van streek kunnen laten brengen en prikkelen. Vraag jezelf af: Wat willen wij voor alles in dit land? De mensen willen gelukkig zijn, is dat niet zo? Heb je dat niet je leven lang gehoord? Ik wil gelukkig zijn, zeggen de mensen. Welnu, zijn ze dat niet? Verzinnen we niet steeds weer iets nieuws voor ze, zorgen we niet dat ze lol hebben. Dat is alles waarvoor we leven, niet? Om pret te hebben, om aangenaam geprikkeld te worden. En je moet toegeven dat onze beschaving in alle opzichten in die behoefte voorziet.’

‘Ja.’

Montag kon liplezen wat Mildred in de deuropening zei. Hij trachtte niet naar haar mond te kijken, omdat Beatty zich dan misschien zou omdraaien en ook zou lezen wat haar lippen zeiden.

‘Negers houden niet van Kleine Zwarte Sambo. Verbrand het. Blanken voelen zich onbehaaglijk bij De Negerhut van Oom Tom. Verbrand het. Iemand heeft een boek geschreven over tabak en longkanker? De sigarettenfabrikanten zijn aan het jammeren geslagen? Verbrand het boek. Gemoedsrust, Montag. Kalmte en blijmoedigheid, Montag. Vecht je geschillen maar buiten uit. Of beter nog: stop ze in de verbrandingsoven. Begrafenissen zijn heidens en maken de mensen ongelukkig? Maak er ook een einde aan. Vijf minuten nadat iemand is gestorven is hij op weg naar de Grote Oven, dank zij een over het hele land vertakte helikopterdienst. Tien minuten na zijn dood is een mens een zwart stofje. Laten we ons niet druk maken over individuen en gedenktekens. Vergeet ze. Verbrand iedereen, verbrand alles. Vuur is zuiver en vuur is rein.’ Het vuurwerk in de salon achter Mildred doofde uit. Ze hield, wonderlijk toevallig, tezelfdertijd op met praten.

Montag hield zijn adem in.

‘Er heeft een meisje naast ons gewoond,’ zei hij langzaam. ‘Ze is nu weg; dood, geloof ik. Ik kan me zelfs haar gezicht niet meer herinneren. Maar zij was anders. Hoe – hoe kon zij vóórkomen?’

Beatty glimlachte. ‘Hier en daar is zoiets natuurlijk onvermijdelijk. Clarisse McClellan. We hebben een dossier over haar familie. We hebben hen nauwkeurig in het oog gehouden. Erfelijkheid en milieu zijn gekke dingen. Je kunt je niet in een paar jaar tijd van alle vreemde eenden ontdoen. Het huiselijk milieu kan een heleboel verknoeien van wat je op school probeert bij te brengen. Daarom hebben we de kleuterschooltijd steeds lager gesteld tot we ze nu bijna uit de wieg weggrissen. We hebben een paar valse alarmen binnengekregen over de McClellans, toen ze nog in Chicago woonden. Nooit een boek gevonden. De antecedenten van de oom waren niet onverdeeld gunstig; antisociaal. Het meisje? Ze was een tijdbom. Ik weet zeker dat de familie haar onderbewustzijn had gevoed, dat bleek duidelijk uit de rapporten van haar leraren. Ze wilde niet weten hoe iets gedaan werd, doch waarom. Dat kan tot allerlei narigheden leiden. Je vraagt steeds weer Waarom? en als je er mee blijft doorgaan word je diep ongelukkig. Het arme kind mag blij zijn dat ze dood is.’

‘Ja, dood.’

‘Gelukkig komen dergelijke abnormale gevallen niet dikwijls voor. We weten hoe we de meeste al in de kiem kunnen smoren. Je kunt geen huis bouwen zonder spijkers en hout. Als je niet wilt dat er een huis gebouwd wordt, stop de spijkers en het hout dan weg. Als je niet wilt dat iemand zich ongelukkig voelt over politieke zaken, laat hem dan geen twee kanten van een vraagstuk zien, zodat hij aan het piekeren slaat; laat hem er maar één zien. Of nog beter: Laat hem er helemaal geen zien. Laat hem vergeten dat er zoiets als oorlog bestaat. Als de regering onbekwaam, topzwaar en bezeten van belastingen is, dan is dat altijd nog veel beter dan dat de mensen erover tobben. Gemoedsrust, Montag. Geef de mensen wedstrijden die ze kunnen winnen door zich de woorden te herinneren van populaire liedjes of de namen van de hoofdsteden van de verschillende staten, of hoeveel graan er vorig jaar in Iowa verbouwd is. Stop ze vol met onontplofbare gegevens, prop ze zo verdomd vol met “feiten” dat ze zich opgeblazen voelen, maar ook wandelende vaten van kennis. Dan zullen ze het gevoel hebben dat ze denken, dat er toch maar heel wat omgaat in dat hoofd van hen. En ze zullen gelukkig zijn, omdat dat soort feiten niet verandert. Geef ze geen verraderlijk goedje als wijsbegeerte of sociologie om verband tussen de dingen te leggen. Dat leidt slechts tot zwaarmoedigheid. Een man die een TV- wand uit elkaar kan halen en weer in elkaar zetten, en dat kunnen de meeste mannen tegenwoordig, is gelukkiger dan een man die probeert met een passer en een duimstok en een rekenliniaal achter de geheimen van het heelal te komen, dat zich niet opmeten en becijferen laat zonder de mens een gevoel van nietigheid en eenzaamheid te geven. Ik weet het veel te goed, ik heb het zelf geprobeerd; naar de duivel ermee. Kom daarom op de proppen met gezellige bijeenkomsten en feestjes, met acrobaten en goochelaars, met steile wand rijders, straalauto’s, motorfiets-helikopters, met prikkelblaadjes en heroïne, met alles wat enkel automatische reflexen teweegbrengt. Als het drama slecht is, de film nietszeggend, het toneelstuk leeg en voos, geef me dan een ferme prik met de theremix, dan zal ik denken dat ik op het toneelstuk reageer, terwijl het in werkelijkheid enkel een zintuiglijke reactie op een zeker soort trillingen is. Maar dat kan mij niet schelen. Ik wil alleen maar goddelijk geamuseerd worden.’

Beatty stond op. ‘Ik moet ervandoor. De lezing is afgelopen. Ik hoop dat ik de zaak verduidelijkt heb. Waar het op aankomt, Montag, is dat jij goed beseft dat wij de Gelukbrengers zijn, het Dixie Duo, jij en ik en de anderen. Wij vormen de zeewering die onze beschaving beschermt tegen de nietige golven van diegenen die iedereen ongelukkig willen maken met tegenstrijdige theorieën en gedachten. Wij houden onze vingers in de dijk. Blijf op je post. Laat onze wereld niet overspoelen door de stortvloed van zwaarmoedigheid en sombere wijsbegeerte. Wij vertrouwen op je. Ik geloof niet dat je beseft hoe belangrijk jij bent, hoe belangrijk wij zijn, voor onze huidige, gelukkige samenleving.’

Beatty drukte Montags slappe hand. Montag zat nog steeds roerloos in bed, alsof het huis rond hem instortte en hij niet bij machte was zich te bewegen. Mildred was uit de deuropening verdwenen.

‘Nog één ding,’ zei Beatty. ‘Ten minste eenmaal in zijn loopbaan wordt iedere brandman door een verterende nieuwsgierigheid aangegrepen. Wat staat er dan toch wel in de boeken, vraagt hij zich af. O, om aan die folterende nieuwsgierigheid te kunnen voldoen, hè? Welnu, Montag, neem het van mij aan, ik heb er vroeger ambtshalve verscheidene moeten lezen, en er staat niets in! Niets wat je geloven of een ander leren kunt. Ze gaan over niet-bestaande mensen, verzonnen gebeurtenissen, als het romans zijn. En als het geen romans zijn, zijn ze nog erger: de ene professor die de andere professor een idioot noemt, de ene filosoof die de andere filosoof hysterisch zijn mening tracht op te dringen. Allemaal als verdwaasden rondrennend, de sterren uit de hemel plukkend en de zon uitdovend. Voor je het weet hen je reddeloos verloren.’

‘En wat gebeurt er dan als een brandman per ongeluk, zonder dat er van enige opzet sprake is, een boek mee naar huis neemt?’

Montags gezicht vertrok krampachtig. De open deur staarde hem met haar grote, gapend-lege oog aan. ‘Een natuurlijke vergissing. Louter nieuwsgierigheid,’ zei Beatty. ‘We worden niet woedend, maken ons er niet al te ongerust over. We laten de brandman het boek vierentwintig uur houden. Als hij het dan zelf nog niet verbrand heeft, komen wij het eenvoudig voor hem verbranden.’

‘Natuurlijk.’ Montags mond was kurkdroog. ‘Welnu, Montag. Wil je vandaag bij een latere ploeg worden ingedeeld? Zien we je vanavond misschien?’ ‘Ik weet het nog niet,’ zei Montag.

‘Wat?’ Beatty keek lichtelijk verbaasd.

Montag sloot zijn ogen. ‘Ik kom later wel. Misschien.’

‘We zouden je stellig missen als je niet kwam opdagen,’ zei Beatty, nadenkend zijn pijp in zijn zak stekend.

Ik ga nooit meer naar de post toe, dacht Montag. ‘Word weer gauw gezond en blijf gezond,’ zei Beatty.

Hij draaide zich om en stapte weg door de openstaande deur.

Montag keek door het raam hoe Beatty wegreed in zijn glinsterende, vlamgele tor met de roetzwarte banden.

Aan de overkant en verderop in de straat stonden de andere huizen met hun gladde voorgevels. Wat had Clarisse op een middag ook alweer gezegd? ‘Geen veranda’s aan de voorkant. Men zegt dat de huizen vroeger een veranda aan de voorkant hadden. En daar zaten de mensen soms ‘s avonds bijeen als ze praten wilden, in hun schommelstoelen, en niet pratend als ze niet praten wilden. Soms zaten ze er enkel over allerlei dingen te mijmeren en na te denken. Mijn oom zegt dat de architecten de veranda’s aan de voorkant hebben laten vervallen omdat ze vonden dat het niet mooi stond. Maar mijn oom zegt dat dat enkel een rationalisatie was; dat de werkelijke, onbewuste reden misschien wel was dat ze niet wilden dat de mensen daar zo zaten, zonder iets te doen, schommelend in hun stoel, pratend; dat was het verkeerde soort gezelligheid. De mensen praatten te veel. En ze hadden tijd om te denken. Daarom schaften ze de veranda’s af. En de tuinen ook. Er zijn niet veel tuinen meer waar je in kunt zitten. En kijk eens naar het meubilair. Geen schommelstoelen meer. Daar zit je gemakkelijk in. De mensen moeten in beweging zijn, van de ene plaats naar de andere rennen. Mijn oom zegt… en… mijn oom… en… mijn oom…’ Haar stem stierf weg.

Montag draaide zich om en keek zijn vrouw aan, die in het midden van de salon met een omroeper zat te praten, die op zijn beurt weer tegen haar praatte. ‘Mevrouw Montag,’ zei hij. Woorden, woorden, meer woorden. ‘Mevrouw Montag -’ Nog meer woorden, nog meer. De omvormerverbinding, die hun honderd dollar had gekost, zorgde er automatisch voor dat haar naam werd genoemd, telkens wanneer de omroeper zich tot zijn anonieme gehoor wendde, zijn zinnen even onderbrekend op die plaatsen, waar de juiste lettergrepen konden worden ingelast. Een speciaal apparaat zorgde er ook voor dat zijn televisiebeeld, op de plek vlak rond zijn lippen, de klinkers en medeklinkers prachtig articuleerde. Hij was een vriend, daar was geen twijfel aan mogelijk, een goede vriend. ‘Mevrouw Montag – kijk nu eens even hier.’

Haar hoofd draaide zich om. Hoewel ze kennelijk niet zat te luisteren.

Montag zei: ‘Het is maar een stap van nu niet aan het werk gaan tot morgen niet aan het werk gaan, tot nooit meer aan het werk gaan in de brandpost.’ ‘Maar je gaat vanavond toch weer aan het werk, is het niet?’ zei Mildred.

‘Ik heb nog geen besluit genomen. Op het ogenblik heb ik het afschuwelijke gevoel dat ik alles kort en klein zou willen slaan.’

‘Neem de tor.’

‘Nee, dank je.’

‘De sleutels van de tor liggen op het nachtkastje. Ik ga altijd graag hardrijden als ik me zo voel. Als je eenmaal aan de honderd vijftig zit voel je je heerlijk. Soms rijd ik de hele nacht en kom ‘s morgens pas weer terug zonder dat jij er iets van merkt. Het is reuze grappig als je buiten de stad komt. Je overrijdt konijnen, soms overrijd je honden. Vooruit, neem de tor.’

‘Nee, ik heb er geen zin in, dit keer. Ik wil dit gekke gevoel vasthouden. Mil, het overweldigt me helemaal. Ik weet niet wat het is. Ik ben zo verdomd ongelukkig, ik ben zo witheet, en ik weet niet waarom. Ik heb het gevoel alsof ik zwaarder word. Ik voel me dik en vet. Ik heb het gevoel alsof ik een heleboel dingen heb opgespaard, zonder te weten wat. Ik zou misschien zelfs boeken kunnen gaan lezen.’

‘Dan zouden ze je in de gevangenis stoppen, niet?’ Ze keek hem aan alsof hij zich in de TV-wand bevond.

Hij begon zijn kleren aan te trekken, rusteloos door de slaapkamer ijsberend. ‘Ja, en dat zou misschien maar het beste zijn. Voor ik iemand kwets of pijn doe. Heb je Beatty gehoord? Heb je naar hem geluisterd? Hij weet waarom het gaat. Hij heeft gelijk. Geluk is belangrijk. Pret maken is alles. En toch zit ik hier steeds maar tegen mezelf te zeggen: Ik ben niet gelukkig, ik ben niet gelukkig.’

‘Ik wel,’ zei Mildred stralend. ‘En er trots op.’

‘Ik ga iets doen,’ zei Montag. ‘Ik weet zelf nog niet wat, maar ik ga iets belangrijks doen.’

‘Ik ben het beu naar die onzin te luisteren,’ zei Mildred, hem de rug toekerend om de omroeper weer aan te kijken.

Montag drukte de geluidsknop in de muur in en de lippen van de omroeper bewogen geluidloos op en neer. ‘Millie?’ Hij zweeg even. ‘Dit is net zo goed jouw huis als het mijne. Het is niet meer dan eerlijk dat ik je nu iets vertel. Ik had het je al eerder moeten zeggen, maar ik wilde het zelfs voor mijzelf niet toegeven. Ik moet je iets laten zien, iets wat ik het afgelopen jaar nu en dan, een enkele keer, heb weggestopt en verborgen, ik weet zelf niet waarom, maar ik heb het gedaan, zonder er jou ooit iets over te vertellen.’ Hij pakte een stoel met een rechte rug en schoof hem langzaam en rustig de hal in tot bij de voordeur en klom erop en bleef een ogenblik staan, als een standbeeld op een voetstuk, terwijl zijn vrouw afwachtend naar hem opkeek. Dan stak hij zijn hand omhoog en trok het rooster weg voor de luchtverversingskoker en stak zijn hand aan de rechterkant een heel eind erin en schoof nog een metaalplaat opzij en haalde een boek te voorschijn. Zonder ernaar te kijken liet hij het op de grond vallen. Hij stak zijn hand weer in het gat en haalde twee boeken te voorschijn en trok zijn hand weer terug en liet de twee boeken op de grond vallen. Hij bleef zijn hand heen en weer bewegen en liet steeds meer boeken op de grond vallen, kleine, vrij grote, gele, rode, groene. Toen hij klaar was staarde hij neer op een twintigtal boeken die voor de voeten van zijn vrouw lagen.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Ik heb het in mijn onnadenkendheid gedaan. Maar het ziet er nu naar uit alsof wij samen in dit schuitje zitten.’

Mildred deinsde achteruit alsof er eensklaps een troep muizen uit de vloer was opgedoken. Hij kon haar horen hijgen en haar gelaat was doodsbleek en ze hield haar ogen wijd opengesperd. Ze riep twee , driemaal zijn naam. Dan rende ze kreunend naar voren, greep een boek en holde ermee naar de verbrandingsoven in de keuken.

Hij pakte haar bij haar arm; ze gilde. Hij hield haar beet en ze trachtte zich krabbend los te rukken. ‘Nee, Millie, nee! Wacht! Toe, hou op! Je weet niet… hou op!’ Hij gaf haar een klap in haar gezicht, greep haar opnieuw beet en schudde haar dooreen.

Ze riep zijn naam en begon te snikken.

‘Millie!’ zei hij. ‘Luister. Geef me een seconde, wil je? We kunnen niets doen. We kunnen deze niet verbranden. Als hetgeen de kapitein zegt waar is, zullen we ze samen verbranden, geloof me, zullen we ze samen verbranden. Je moet me helpen.’ Hij staarde haar in haar gelaat en pakte haar kin beet en hield haar stevig vast. Hij keek niet enkel naar haar, doch trachtte zijn eigen dilemma, en wat hij doen moest, van haar gezicht af te lezen. ‘Of we het prettig vinden of niet, we zitten in dit schuitje en moeten nu meevaren. Ik heb in al die jaren nooit veel van je verlangd, maar nu vraag ik je iets, smeek ik erom. We moeten op de een of andere manier opnieuw beginnen, erachter zien te komen waarom we zo in de knoei zitten, jij met al je slaapmiddelen en de auto, en ik met mijn werk. We stormen regelrecht op de afgrond aan, Millie. En ik wil niet te pletter vallen. Dit zal niet gemakkelijk worden. We hebben niets waar we houvast aan hebben, maar misschien kunnen we geleidelijk tot klaarheid komen en elkaar helpen. Ik kan je niet zeggen hoezeer ik je op dit ogenblik nodig heb. Als je ook maar een beetje van me houdt, zul je dit vierentwintig, achtenveertig uur dulden, meer vraag ik niet, dan zal het afgelopen zijn, dat beloof ik je, dat zweer ik je! En als hier iets inzit, al is het ook nog zo weinig tussen een hoop waardeloze rommel, kunnen we het misschien doorgeven aan iemand anders.’ Ze verzette zich niet langer, dus liet hij haar los. Ze plofte slap achteruit tegen de muur en gleed op de grond en staarde versuft naar de boeken. Haar voet raakte er een aan en ze zag het en trok haar voet haastig terug.

‘Die vrouw, gisteravond, Millie, jij bent er niet bij geweest. Jij hebt haar gezicht niet gezien. En Clarisse. Jij hebt nooit met haar gepraat. Ik wel. En mensen als Beatty zijn bang voor haar. Ik begrijp het niet. Waarom zouden ze bang zijn voor iemand als zij? Maar ik vergeleek haar gisteravond telkens weer met de brandlieden op de post, en plotseling besefte ik dat ik hen helemaal niet mocht, en dat ik mijzelf plotseling helemaal niet meer mocht. En ik dacht dat het misschien maar het beste zou zijn als de brandlieden zelf verbrand werden.’

‘Guy!’

De stem in de voordeur riep zachtjes:

‘Mevrouw Montag, mevrouw Montag, er is iemand, er is iemand, mevrouw Montag, mevrouw Montag, er is iemand.’ Zachtjes.

Ze draaiden zich om en staarden naar de deur en overal lagen de boeken op wankele stapels.

‘Beatty!’ zei Mildred.

‘Hij kan het niet zijn.’

‘Hij is teruggekomen!’ fluisterde ze.

De stem in de voordeur riep weer zachtjes: ‘Er is iemand…’

‘We doen niet open.’ Montag leunde tegen de muur en liet zich dan langzaam op zijn hurken zinken en begon de boeken verward met zijn duim, zijn wijsvinger aan te raken. Hij huiverde en wilde bovenal de boeken weer in de luchtkoker stoppen, maar hij wist dat hij Beatty niet meer onder ogen kon komen. Hij bleef ineengehurkt zitten en de stem in de voordeur sprak opnieuw, met een dringender klank. Montag raapte een klein deeltje op van de vloer. ‘Waar beginnen we?’ Hij sloeg het boek halverwege open en tuurde erin. ‘We zullen maar bij het begin beginnen, lijkt me.’

‘Hij zal binnenkomen,’ zei Mildred, ‘en ons en de boeken verbranden.’

De stem in de voordeur stierf eindelijk weg. Er viel een diepe stilte. Montag hoorde dat er zich iemand achter de deur bevond, wachtend, luisterend. Dan verwijderden de voetstappen zich over het tegelpad en het grasveld.

‘Laten we eens kijken wat dit is,’ zei Montag.

Hij sprak de woorden haperend en vreselijk verlegen uit. Hij las hier en daar een twaalftal bladzijden tot hij op het volgende stuitte:

‘Men heeft uitgerekend dat in de loop der geschiedenis elfduizend mensen liever de marteldood zijn gestorven dan zich te laten dwingen hun eieren aan de spitse kant kapot te slaan.”‘

Mildred zat hem vanaf de andere zijde van de hal aan te staren. ‘Wat betekent dat? Het betekent niets! De kapitein had gelijk!’

‘Rustig nu,’ zei Montag. ‘We zullen nog eens beginnen, bij het begin.’


Read the full book by downloading it below.

DOWNLOAD EPUB